Bijdrage - Wet Natuur­be­scherming Deel I Sen. C. Teunissen


8 december 2015

Vandaag is de Wet Natuurbescherming aangenomen in de Eerste Kamer. De Partij voor de Dieren vindt deze wet een grote achteruitgang en heeft daarom tegen de wet gestemd. De partij maakt zicht grote zorgen over de effecten van de nieuwe natuurwet. Want hoewel de intrinsieke waarde - de waarde van de natuur los van het nut voor de mens - wordt erkend, wordt de flora en fauna in Nederland niet beter beschermd door de nieuwe wet. Senator Teunissen haar bijdrage ging over het beschermingsniveau en de decentralisering. Provincies worden verantwoordelijk voor de bescherming van de natuur. Een zorgwekkende ontwikkeling, aldus Senator Christine Teunissen .Lees de volledige bijdrage hieronder

Bijdrage:

Voorzitter. Allereerst wil ik de heer Verheijen, de heer Schnabel en de heer Van Kesteren hartelijk feliciteren met hun maidenspeech. Ook wil ik de staatssecretaris feliciteren met zijn nieuwe positie. Ik hoop dat hij gaat strijden voor de idealen die hij eerder als lid van de Tweede Kamer heeft geëtaleerd, met name op het gebied van het welzijn van dieren en natuur.

Vandaag bespreken we de randvoorwaarden voor onze ecologische begroting. In een land waar het ecologisch begrotingstekort vele malen groter is dan het financieel begrotingstekort en waar nog maar 15% van de oorspronkelijke biodiversiteit over is, vertegenwoordigt de natuur een grote waarde, ook los van haar nut voor de mens. De natuur heeft een waarde in zichzelf — de Partij voor de Dieren hecht eraan om dit te benadrukken — maar is ook van cruciaal belang voor ons bestaan. De natuur zuivert de lucht. De natuur zuivert het water dat we nodig hebben om te drinken. De natuur levert een gezonde bodem om ons voedsel op te verbouwen. Zonder natuur zijn we nergens als mensen. En toch zien we kans om steeds weer beleid te formuleren dat indruist tegen de natuur en zelfs tegen onze eigen natuur.

De natuur in Nederland staat er slecht voor. Ruim 80% van de soorten en habitattypen verkeert in een ongunstige staat van instandhouding. Door bevolkings- en consumptiegroei neemt de druk toe om natuur om te zetten in landbouwgrond, met nog meer biodiversiteitsverlies als gevolg. Nederland voldoet nog lang niet aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn, het in een gunstige staat van instandhouding brengen en houden van Europees belangrijke soorten en habitats. Op het platteland zijn wildedierpopulaties sinds 1990 met 40% gedaald. In open natuurgebieden, zoals heide en duinen, zijn populaties diersoorten sinds 1990 met gemiddeld 50% gedaald. Dat is vooral te wijten aan de intensieve landbouw. Dieren en natuur lijden onder zware bemesting, pesticidengebruik en het droogmalen en maaien van weilanden.

Betere handhaving van bestaande natuurwetgeving en op punten aanscherping van natuurbescherming zijn daarom noodzakelijk. Het kabinet kiest echter voor het tegenovergestelde. Het absolute minimum van de Europese richtlijnen voor de bescherming van natuur wordt als uitgangspunt genomen in deze nieuwe wet, en zelfs voor deze minimale doelen zijn onvoldoende waarborgen meegenomen. De erkenning van de "intrinsieke waarde" verhult dat deze wet zowel in de handhaafbaarheid als in de uitvoerbaarheid een duidelijke achteruitgang betekent van het beschermingsniveau. Als je de intrinsieke waarde erkent, kun je niet accepteren dat je de natuur achteruit laat gaan. Erkenning moet bescherming inhouden. De massieve denkfout die door dit wetsvoorstel heen schemert, is dat de natuur de economie in de weg zit en dat we dús regels nodig hebben om de economie te laten groeien in plaats van de natuur. De economie beschermen tegen de natuur, is de omgekeerde wereld die wij mensen gecreëerd hebben in Nederland. Het moet andersom zijn.

Hoewel de wet de naam Wet natuurbescherming heeft gekregen, is het beschermingsniveau van natuurgebieden beduidend lager dan nu in de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet is verankerd. Onlangs is door een aantal bevindingen uit het rapport van de commissie-Van Vollenhoven, dat vanavond al een aantal keer is benoemd, bevestigd hoezeer we met de Wet natuurbescherming op een dood spoor beland zijn, letterlijk. De commissie stelt vast dat het Rijk met het nieuwe wetgevingsstelsel en de achterliggende filosofie van de wet de regie over de natuur van nationaal belang uit handen lijkt te geven, enerzijds doordat slechts de minimale beschermingsniveaus van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn overeind blijven, anderzijds doordat de afzonderlijke provincies nu verantwoordelijk zijn voor het behalen van de Europees gestelde natuurdoelen, zonder enige regie, verantwoordingsplicht of een deugdelijk en afrekenbaar toetsingskader.

Daarnaast stelt de commissie vast dat de aanwijzing van nationaal te beschermen natuurgebieden volledig afhankelijk wordt gemaakt van de aanmelding als Natura 2000-gebied en de Europese resultaatsverplichtingen. Niet langer is het mogelijk om vanuit andere overwegingen natuur- en landschapsgebieden te beschermen, zelfs niet als die wel een nationaal belang vertegenwoordigen. De status van de 64 resterende beschermde natuurmomenten die geen Natura 2000-status hebben gekregen, komt te vervallen, terwijl het nationaal belang dat deze gebieden vertegenwoordigen onveranderd is.

Ook bescherming van landschapsgezichten en cultuurhistorische- en belevingswaarden vervalt. Natuurwerk Nederland was vroeger redelijk beschermd via het nee, tenzij-beleid, destijds de ehs. Ruimtelijke ontwikkelingen waren er niet in toegestaan, tenzij er sprake was van groot openbaar belang. Deze voorwaarde komt nu te vervallen. Het is aan de afzonderlijke provincies om te bepalen hoe om te gaan met gebieden binnen Natuurnetwerk Nederland. Ik krijg graag een reactie van de staatssecretaris op deze bevindingen van de commissie. Wil hij aangeven op welke punten hij van mening is dat het beschermingsniveau van natuur en dieren dankzij deze wet toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie?

Het Rijk heeft een Europese en internationale inhoudelijke verantwoordelijkheid voor het bereiken van een gunstige stand van instandhouding van soorten en habitats en voor een stop van een verdere achteruitgang van de biodiversiteit. Op het Rijk rusten dienaangaande resultaatsverplichtingen. Het wetsvoorstel geeft aan het Rijk echter niet de noodzakelijke instrumenten om die verantwoordelijkheid waar te maken. Dit is zorgelijk. Terwijl de natuur er slecht aan toe is, geldt er slechts een inspanningsverplichting voor de provincies. Tijdens de deskundigenbijeenkomst werd die zorg ook al geuit. Er werd gevreesd dat Nederland zijn Europese en internationale verantwoordelijkheden niet zou nakomen.

Op grond van de Provinciewet heeft het Rijk alleen reactieve instrumenten om in te grijpen als het bereiken van de resultaatsverplichtingen van het Rijk in gevaar komt. De Partij voor de Dieren vindt dat het Rijk op dit punt onvoldoende slagkracht heeft door deze wet. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe deze onduidelijke inspanningsverplichting per provincie zich tot de resultaten verhoudt die Nederland landelijk moet boeken om aan internationale afspraken te voldoen.

De eindverantwoordelijkheid van het Rijk om Natuurnetwerk Nederland te realiseren zou stevig verankerd moeten zijn in de wet, bijvoorbeeld via de bepaling dat Natura 2000-gebieden worden gerealiseerd binnen een termijn van vijftien jaar. Natura 2000-gebieden hebben als doel, verdere achteruitgang van biodiversiteit tegen te gaan door bepaalde soorten en hun leefgebieden bescherming te bieden. Waarom is er niet voor gekozen, een heldere borging van de verplichtingen van het Rijk in de Wet natuurbescherming op te nemen? Ziet de staatssecretaris alsnog mogelijkheden hiertoe? Ik krijg graag een reactie, want ik overweeg een motie op dit punt.

Ik heb een opmerking over de soortenbescherming. De verboden zijn minder streng geworden dan nu in de Flora- en faunawet het geval is. De verboden en uitzonderingen sluiten met de nieuwe wet nauw aan op de Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor de aanvullend beschermde soorten geldt een minder strikt regime. In de nieuwe wet is alleen het opzettelijk doden of verontrusten van dieren verboden in plaats van het doden of verontrusten van dieren. Dit vormt volgens de Partij voor de Dieren een afzwakking van de verbodsbepaling die grote consequenties kan hebben. Een treffend voorbeeld hiervan, dat ook tijdens de deskundigenbijeenkomst werd aangehaald, was dat een groot aantal processen-verbaal, opgemaakt voor bezoekers van het Waddengebied die overtredingen begingen, de afgelopen zomer verscheurd werden, vooruitlopend op de nieuwe Natuurwet. Deze bezoekers begingen overtredingen door rustgebieden na het droogvallen ervan binnen te lopen of te varen en zodoende zeehonden en vogels te storen. De bekeurde mensen kunnen onder de nieuwe wet aanvoeren dat de verstoringen die ze aanbrachten niet opzettelijk bedoeld waren. Ze wilden immers alleen een foto maken of dachten dat het geen kwaad kon. De formulering "opzettelijk doden of verontrusten" maakt handhaving dus uiterst complex, zo niet onmogelijk. Is de regering bereid om te komen tot een bijstelling van deze omissie?

De Partij voor de Dieren maakt zich zorgen over de beslissing om niet elke verstoring van vogels, maar enkel verstoringen van vogels die een wezenlijke invloed hebben op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort te verbieden. De bescherming van dieren die tot een beschermde soort behoren, laat de regering hiermee los. Daarmee creëert ze een eis die onmogelijk te handhaven is. Hoe denkt de regering het verbod op verstoring te gaan handhaven? Hoe moeten handhavers onderscheid maken tussen verstoring en verstoringen die een wezenlijke invloed hebben op de staat van instandhouding? Ik krijg graag helderheid van de staatssecretaris op dit punt.

Voorzitter, ik heb nog een punt met betrekking tot de decentralisatie van het natuurbeleid. Professor Olff constateerde dat vanwege de decentralisatie een belangrijk probleem ontstaat. De politieke ontwikkeling en de recente wetenschappelijke inzichten staan op dit punt haaks op elkaar. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt namelijk juist dat de ruimtelijke schaal waarop ecologische processen werken, vaak onderschat is, en veel groter is dan gedacht. Veel soorten die dankzij onder de Vogel- en Habitatrichtlijn beschermd worden, opereren op ten minste nationale, maar ook internationale schaal. Daaraan is een aantal keer gerefereerd. Dit kan een groot risico opleveren voor de bestuurlijke aansprakelijkheid van provincies die onvoldoende natuurresultaat boeken, bijvoorbeeld vanwege een sterke achteruitgang van een soort die een deel van zijn levenscyclus in die provincie doorbrengt. Vogels, zoogdieren en grotere insecten zijn echter vaak sterk mobiel en houden zich niet aan gemeente- en provinciegrenzen. Ze zijn dus vergelijkbaar met nationale en internationale ondernemingen, die zich ook niet in elke provincie aan verschillende milieunormen hoeven te houden. Voeg daarbij het enorme risico van divergentie van doelstellingen, regels en procedures tussen die gemeenten en provincies en je komt tot de vraag of beheer van natuur in de uitvoering, vooral op gemeentelijk en provinciaal niveau, geen grote problemen zal opleveren. In dit kader vraag ik de staatssecretaris hoe landelijk het aantal vogels, zoogdieren, grotere insecten en dieren die mobiel zijn wordt geteld en wat daarvan de consequentie is. Staan de landelijke meetnetten niet op de tocht door de decentralisaties? Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat er uniformiteit in de tellingsdoelen tussen provincies bestaat om tot goede meetresultaten te komen?

In de nieuwe wet wordt "overlast" als reden genoemd om tot bestrijding van beschermde diersoorten over te gaan. Dit is in strijd met de Vogel- en Habitatrichtlijn. Gemeenten kunnen een dergelijke vrijstelling krijgen van de provincie. Die vrijstelling is niet vatbaar voor beroep of bezwaar, omdat het hier een algemeen verbindend voorschrift betreft. Wat dit in de praktijk voor de handhaving betekent, blijft onduidelijk. Ik krijg hierover graag helderheid van de staatssecretaris.

De regering schept bovendien een extra mogelijkheid voor provincies om vrijstelling of ontheffing te verlenen voor het vangen van vogels en andere dieren. Het wetsvoorstel maakt het zelfs mogelijk om dieren in het wild "verstandig" te houden. Het wordt in het geheel niet duidelijk waarom de regering dit wil toestaan en welk doel deze houderij van niet- gedomesticeerde dieren dient. Ook hierop krijg ik graag een reactie.

Tot slot. De Partij voor de Dieren maakt zich grote zorgen over de effecten van de nieuwe Natuurbeschermingswet. De regering laat met dit wetsvoorstel zien dat ze geen intrinsieke motivatie heeft om de natuur te beschermen. Bovendien maakt de minimalisering van natuurbescherming aan de hand van verschillende richtlijnen en verdragen de wet ingewikkelder. Elke richtlijn en elk verdrag kent verschillende beschermingsregimes. Het overnemen van al die beschermingsregimes maakt wetgeving onnodig complex. Een keuze voor één eigen beschermingsregime zou veel beter zijn, maar de regering ziet daarvan af. Dat is opvallend, aangezien de regering juist zegt de Natuurbeschermingswet te willen vereenvoudigen. Ik vraag de staatssecretaris, daarin de nodige helderheid aan te brengen. Zonder die helderheid zal mijn fractie de nieuwe wet niet kunnen steunen.

Ingediende moties

Motie Afrekenbare doelstellingen voor een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitats

Motie over het afzien van een categoriale vrijstelling voor het doden van beschermde dieren

Motie over een wettelijk kader voor het verbod op doden of verontrusten van dieren dat beter handhaafbaar is