Bijdrage - Debat over een eventueel in te stellen Staats­com­missie Bezinning Parle­mentair Stelsel 


19 januari 2016

Voorzitter,

Wat wil de Eerste Kamer nu eigenlijk met de Eerste Kamer vroeg NRCNext zich vanochtend af, en de verwarring die spreekt uit die vraag mogen we onszelf ter harte nemen.

De Eerste Kamer heeft gedurende haar geschiedenis niet alleen lof en waardering geoogst. Groen van Prinsterer noemde haar "een mislukte copie naar Engelsch model" en Thorbecke noemde de Eerste Kamer in 1840 "zonder grond en zonder doel". Anderen waren positiever gesteld. Donker Curtius, behorende tot dezelfde Staatscommissie tot herziening van de Grondwet als Thorbecke, motiveerde de legitimiteit met de stelling dat de taak van de Eerste Kamer lag "niet in het stichten van het goede, maar in het voorkomen van het kwade". De Eerste Kamer moest volgens hem waken tegen de "waan van de dag" en al te radicale voorstellen van de overzijde van het Binnenhof kunnen tegenhouden.

Dat lijkt me ook de opdracht voor vandaag. Voorkomen dat het zogenaamde betere de vijand van het goede wordt en ons bewust zijn van het feit dat het gebrek aan vertrouwen van de burger in de politiek niet voortvloeit uit de wijze waarop ons parlementaire stelsel georganiseerd is, maar door de wijze waarop politici menen de stem van de burger te moeten vertalen in het keer op keer op een akkoordje gooien van tegenstrijdige samenwerkingsverbanden die de burger niet ziet zitten.

De discussie over parlementaire hervorming is niet nieuw. In de jaren zestig en zeventig werd volop gediscussieerd over staatskundige vernieuwing. Het kabinet-De Jong stelde in 1967 de Staatscommissie-Cals/Donner in. Het kabinet-Den Uyl kwam als resultaat daarvan in 1974 met een nota over de Grondwetsherziening. Slechts een minderheid van de Staatscommissie had zich uitgesproken voor afschaffing van de Eerste Kamer en het kabinet wilde daar evenmin toe besluiten. Wel stelde het kabinet voor de Eerste Kamer voortaan rechtstreeks te verkiezen, aan de Eerste Kamer het budgetrecht te ontnemen en de zittingsduur tot vier jaar te beperken.

Zowel de rechtstreekse verkiezing als het ontnemen van het budgetrecht stuitten bij een Tweede Kamermeerderheid op grote bezwaren. Tijdens de behandeling van de nota in de Tweede Kamer werd een motie-De Kwaadsteniet aangenomen, waarin aantasting van de positie van de Eerste Kamer werd afgewezen. Een motie-K.G. de Vries, waarin afschaffing van de Eerste Kamer werd voorgesteld, werd verworpen.

De Grondwetsherziening van 1983 had als resultaat dat de zittingsduur en de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer werden gewijzigd. De zittingsduur werd vier in plaats van zes jaar en alle provincies zouden voortaan tegelijkertijd de Eerste Kamerleden kiezen. Daardoor werden de Eerste en Tweede Kamer concurrerend in samenstelling en belangen.

Voorzitter, met de opnieuw opgelaaide discussie is de vraag of er naast het pallaver over de bouwkundige staat van de gebouwen van de Staten-Generaal, behoefte is aan een discussie over de staatkundige bouw van ons parlementair stelsel.

Er is allereerst discussie over de vertrouwenskloof tussen publiek en politiek en het gebrek aan draagvlak in de samenleving voor politieke partijen, waar niet meer dan 2,5% van de bevolking lid van is.

Het is voor mijn fractie zeer de vraag of naast deze discussie ook nog behoefte is aan een staatscommissie die zich buigt over de rol van Eerste en Tweede Kamer in het parlementaire stelsel.

Het gaat zoals de VVD aangeeft om een brede stelselherziening en niet alleen over de rol van de Eerste Kamer.

Maar wie zijn oor binnen en buiten dit huis te luisteren legt, weet dat er vraagtekens geplaatst worden bij de motieven van de initiatiefnemers.

De discussie is een direct gevolg van de kabinetsformatie van 2012. Toen dachten de onderhandelaars van de twee grote winnaars, VVD en PvdA, wat al te luchtig over het ontbreken van een meerderheid in de Eerste Kamer. Al snel bleek het nodig in de Tweede Kamer andere partijen bij belangrijke zaken te betrekken die de coalitie aan een meerderheid in de Senaat konden helpen.

Initiatiefnemer Hermans was in 2013 nog zeer uitgesproken over een onderzoek naar de rol van de Senaat tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Hij zei: 'Er staat een olifant in deze Kamer en daar moeten we een keer over praten.'

Wij van de Partij voor de Dieren menen daarin een zeker recht van spreken te hebben, niet uit overwegingen van clientelisme, maar omdat we olifantenbelangen evenzeer meewegen als die van mensen.

De toekomst van de Eerste Kamer zou samenhangen met het feit dat de Eerste kamer politieker zou zijn geworden en het voor de coalitie lastig is meerderheden te smeden.

Wat betekent dat voor ons als Senaat op korte termijn? Niks, want afgaande op de resultaten uit het verleden kan het een hele tijd duren voor een eventuele commissie geformeerd is en met conclusies komt. Vervolgens is ook nog maar zeer de vraag of die conclusies worden overgenomen. De resultaten van eerdere staatscommissies zijn wat dat betreft veelzeggend: de commissie Cals/Donner pleitte in 1971 voor een gekozen minister-president, de commissie Biesheuvel in 1985 voor een gekozen burgemeester. Ziet u al iets van een gekozen minister president of een gekozen burgemeester aan de horizon?

De meest recente adviezen over het parlementaire stelsel, van de Nationale Conventie uit 2006, waren even kansarm. De aanbevelingen voor de Eerste Kamer - geef de Senaat het recht wetsvoorstellen terug te sturen naar de Tweede Kamer en verander het kiesstelsel zo dat de Provinciale Staten elke drie jaar de helft van de Eerste Kamerleden kiezen – zijn integraal niet overgenomen.

Voorzitter, de huidige problemen, de vertrouwenskloof tussen publiek en politiek en het gebrek aan draagvlak in de samenleving voor politieke partijen, behoeven eerder zelfreflectie dan een stelselherziening. Daar zou in dit huis van reflectie meer tijd voor genomen moeten worden. Daar ligt de kern van de problemen voor onze parlementaire democratie. Een staatscommissie kan daarin geen enkele rol en betekenis hebben wat de Partij voor de Dieren betreft.

Er is winst te boeken uit een verklaring voor het feit, dat burgers zich niet meer verwant voelen met de politiek. Maar die verklaring zal niet van een staatscommissie komen, maar vanuit zelfreflectie. Er was een periode dat partijen zeker konden zijn van steun; het confessionele blok, het sociaal-democratische blok en liberale blok. Burgers zoeken momenteel op de flanken naar alternatieven, omdat ze zich niet meer vertegenwoordig voelen door de partijen waar hun ouders en grootouders zich traditioneel wel door vertegenwoordigd voelden.

Met een staatscommissie die gaat nadenken over stelselhervorming gaan we niets veranderen, we gaan er hooguit tijd mee verliezen. Tijd die we niet hebben! Het is een oplossing van het niveau: het is nu vijf voor twaalf, laten we de klok een uur terugzetten, dan kunnen we een uurtje langer slapen.

Het instellen van een staatscommissie is tijdverspilling in een parlementaire democratie in blessuretijd. Er moet iets gebeuren, zonder uitstel. En wat er moet gebeuren is aan onszelf, niet aan een staatscommissie. Verbeter de werking van het parlement, begin bij jezelf. Begin bij onszelf.

Het is als een familie die elkaar de tent uit vecht, en een architect en een aannemer aanzoekt om de problemen op te lossen via een verbouwing van het huis, in plaats van in de onderlinge verhoudingen tussen de familieleden naar een oplossing te zoeken. Als een huis in zichzelf verdeeld is, helpt geen verbouwing, hooguit gedragstherapie voor de bewoners.

Laten we bezien hoe we met elkaar en met het ons ter beschikking staande instrumentarium omgaan.

Zo werd mij onlangs bij de behandeling van de Wet Natuurbescherming duidelijk dat collega’s van VVD, CDA, ChristenUnie en PvdA in dit Huis een aantal moties van de Partij voor de Dieren niet wilden steunen omdat het staatsrechtelijk onjuist zou zijn om een novelle te vragen in motie, omdat de Kamer daarmee materieel het recht van amendement zouden claimen. Echter, in 2012 werd de Motie-Essers (CDA) c.s. over een novelle om te komen tot een splitsing van de verhuurderheffing 2013 van de jaren daaropvolgend (EK 33.407, F) gesteund door alle partijen in de Eerste Kamer, behalve D66. Laatstgenoemde partij had dus als enige op dit punt recht van spreken.[1] Voorzitter, laten we eerst afstappen van het elkaar betwisten met gelegenheidsargumenten in plaats van nu een stelselherziening te overwegen.

Voorzitter, 55% van de Nederlandse bevolking vindt dat burgers meer invloed op beleid moeten hebben, bijvoorbeeld via referenda. Die roep om meer inspraak lijkt voort te komen uit onvrede. Veel Nederlanders vinden namelijk dat politici onvoldoende luisteren en te veel gericht zijn op hun eigen belang, en vragen zich af of politici wel weten wat er in de samenleving leeft. Als er 400.000 burgers om een referendum vragen over het associatieverdrag met Oekraïne en het kabinet trekt een lange neus naar die burgers door te zeggen dat het nog ongeratificeerde verdrag al in werking zou zijn getreden, dan vraagt de politiek om weerzin en weerstand van burgers.

Daarnaast is er weinig te kiezen voor de burger. Volgens socioloog Willem Schinkel onderscheiden bestaande partijen zich veel te weinig van elkaar en ze doen hooguit aan probleemmanagement, misschien is de enige uitzondering de Partij voor de Dieren, zegt hij.[2] Om deze gelijkvormigheid te doorbreken en de kiezer weer wat te kiezen te geven, is ruimte nodig voor vernieuwing. Een kiesdrempel zou niets anders zijn dan een zandzak waarmee de gevestigde orde nieuwkomers probeert te belemmeren toe te treden tot een vermolmd partijenstelsel dat een gapende kloof veroorzaakt tussen de kiezer en de gekozenen.

Er moet meer elegantie in dit huis komen. Niet onderling in de wandelgangen, die elegantie is in dit huis dik in orde. Maar ik bedoel elegantie in het beleid vanuit het besef welke grote verantwoordelijkheid we hebben voor zaken waarvan we geen kleingeld mogen maken. Het vertrouwen van de burgers is tot een dieptepunt gedaald, dat ligt niet aan die burgers, maar aan ons, politici. Er is geen staatscommissie nodig om dat vast te stellen.

Overdracht van bevoegdheden aan een ondemocratisch bestuur in Brussel, zorgt ervoor dat de Staten-Generaal zichzelf degradeert tot de provinciale staten van Europa, ook daar kunnen staatscommissies geen oplossingen voor bieden.

Het huis van Thorbecke straalt eenvoud uit. We kennen drie bestuurslagen: Rijk, provincie en gemeente. Niet heel erg gecompliceerd en allemaal van democratische signatuur. Wanneer elke laag weer eens goed nagaat welke taken tot haar domein behoren, niemand zaken dubbel doet of een te grote broek aantrekt, kan dit stelsel gewoon nog 200 jaar mee.

Voorzitter, wat ons betreft is er meer dan voldoende tijd besteed aan het plan voor een staatscommissie, een plan dat niet op onze steun kan rekenen. Er zijn belangrijker problemen, in de wereld en in het parlement. In de woorden van Marc Chavannes, columnist van De Correspondent: in tijd van crisis moet je niet aan de instituties gaan morrelen, maar zorgen dat zij overleven en het broodnodige beetje eenheid belichamen.[3] Mijn fractie zegt dus nee tegen een staatscommissie, nee tegen het vooruitschuiven van problemen die leven binnen ons parlementaire stelsel. Problemen die niet vragen om een stelselherziening, maar om een andere mentaliteit. Geen akkoordjes, maar herkenbare idealen. Ook op dat vlak is er een wereld te winnen!

Dank u wel!

[1] De Raad van State heeft in 1974 in een advies uitgesproken dat het indienen van een novelle is toegestaan, mits dat niet te vaak gebeurt.

[2] http://www.volkskrant.nl/archief/-alle-partijen-zijn-min-of-meer-d66-geworden~a3264755/

[3] https://decorrespondent.nl/3891/Als-er-een-Kamer-toe-is-aan-goed-nadenken-over-zichzelf-is-het-de-Tweede-wel/287670571518-bb4991bc