Vragen Koffeman (PvdD) onder­zoeks­pro­gramma Veehou­derij en Gezondheid Omwo­nenden


Indiendatum: 21 jun. 2022

De leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren hebben met interesse kennis genomen van de antwoorden van de regering. Naar aanleiding hiervan hebben zij nog een aantal vragen.

  1. De regering schrijft dat vanuit de verantwoordelijkheid van het Rijk wordt gezorgd dat provincies geïnformeerd zijn over onderzoeksuitkomsten, zodat effectieve risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden op nationaal niveau. Welke maatregelen heeft de regering hiervoor beschikbaar? En onder welke voorwaarden zal de regering dit instrumentarium benutten? Wat is hierbij het afwegingskader van de regering? Hoe en wanneer zal de nationale overheid ingrijpen wanneer op decentraal niveau niet adequaat op risicofactoren wordt gereageerd?
  2. Wanneer zijn de onderzoeken naar longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen afgerond? Wat is hiervoor volgens de regering een aanvaardbare termijn, gezien de signalen dat hier wel degelijk een sprake is van een causaal verband en de risico’s die dit met zich meebrengt? De fracties memoreren dat onderliggende onderzoeken al 13 jaar lopen en tot op heden nog niet hebben geleidt tot een betere bescherming van omwonenden van geitenhouderijen.
  3. De regering geeft desgevraagd aan niet te beschikken over een overzicht van het aantal gerealiseerde nieuwe geitenhouderijen op een afstand tot 500 m, tot 1000 m en tot 2000 m van woningen, uitgesplitst per provincie. Hoe verhoudt zich dit tot de zorgplicht van het Rijk? Is de regering het met de leden van de fracties van GroenLinks en de Partij voor de Dieren eens dat de verantwoordelijkheden van de regering ten aanzien van de volksgezondheid met zich meebrengen dat het Rijk dit soort risico’s in ieder geval in kaart brengt, ook al ligt de bevoegdheid om op te treden niet primair bij het Rijk? Zo nee, waarom niet? Is de regering het met deze leden eens dat de regering voor de leden van de Kamer het aanspreekpunt is voor dit soort kwesties? En zijn zij van mening dat daaruit de verantwoordelijkheid voortvloeit om dit soort informatie wel in kaart te brengen en met de Kamer te delen? De fracties vragen daarom indringend om het overzicht alsnog aan te leveren.
  4. Om de gezondheidsrisico’s van veehouderijen te beperken, heeft de GGD een aantal adviezen uitgebracht. Het gaat onder meer om het instellen van een minimumafstand van 250 meter tussen veehouderijen en woningen en tussen veehouderijen onderling, het verplichten van bedrijven om hun geur en fijnstofuitstoot te beperken en een verbod of minimaal een ontmoedigingsbeleids van het gemengd houden van varkens en pluimvee veehouderijbedrijven om te voorkomen dat influenzavirussen vanuit pluimvee (zoals de vogelgriep) vermengd raken met influenzavirussen van varkens waarna een potentieel zeer besmettelijke en ziekmakende zoonose zou kunnen ontstaan. Kan de regering een appreciatie geven van deze adviezen per advies? Kan het kabinet inzicht geven in de mate waarin opvolging is gegeven aan haar adviezen? Is dat in 100% van de gevallen, 50% van de gevallen of wellicht een ander percentage? Is de regering voornemens om deze adviezen te implementeren in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen heeft de regering hiervoor gezet of zal de regering als eerste zetten? Indien het Rijk van mening is dat deze adviezen op decentraal niveau geïmplementeerd moeten worden, wat zal dan de houding van de regering zijn ten aanzien van de bevoegd gezagen die dit niet of niet volledig doen? Welke mogelijkheden en middelen heeft de regering om in deze gevallen te sturen op ander beleid op decentraal niveau? En welke rol ziet de minister voor decentrale overheden weggelegd in het zoönosebeleid?