Vragen van Prast (PvdD) over compen­satie sluiting kolen­cen­trales


Indiendatum: 2 nov. 2021

Inbreng van de PvdD met betrekking tot Beperking schade exploitanten kolencentrales (35668)

De leden van de fractie van de PvdD hebben naar aanleiding van het Ontwerpbesluit de volgende vragen.

1. Is het juist dat ingevolge artikel 4, tweede lid van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitproductie in verband met beperking van de CO2-emissie geen recht op nadeelcompensatie bestaat indien naar het oordeel van de minister de gestelde schade voor rekening van de exploitant behoort te blijven?

2. Is het juist dat toepassing van de in de vorige vraag bedoelde bepaling impliceert dat – voor zover schade ten gevolge van een maatregel voortvloeit uit een beslissing die voor 9 december 2020 is genomen - moet worden afgewogen welke schade voor rekening van de exploitant behoort te blijven? Welke bepaling in het Ontwerpbesluit geeft criteria die op die afweging betrekking hebben?

3. Indien het Ontwerpbesluit geen voorschriften omvat die op die afweging betrekking hebben, welke criteria dient de minister dan toe te passen?

4. Mag de minister een verzoek om vergoeding van schade die voortvloeit uit een beslissing die voor 9 december 2020 is genomen - toewijzen zonder dat is nagegaan of de gestelde schade voor rekening van de exploitant dient te blijven?

5. In 2015 oordeelde de rechtbank in de Urgenda-zaak, in 2018 het Gerechtshof en in 2019 de Hoge Raad. Dient bij de afweging of een deel van de schade niet voor rekening van de exploitant zou moeten komen, te worden meegewogen dat gelet op de Urgenda-rechtszaak die al in 2015 in eerste instantie door de Staat verloren werd, exploitanten er rekening mee hadden moeten houden dat de nakoming van het Klimaat-akkkoord van Parijs uit 2015 naar verwachting zou kunnen leiden tot productiebeperkende maatregelen in de periode voor 31 december 2024?

6. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening en in de Omgevingswet is geregeld dat bij de nadeelcompensatie in ieder geval een bepaald percentage voor rekening van de benadeelde blijft. Waarom ontbreekt zo’n regeling in het Ontwerpbesluit? Waarom moet de maatschappij de schadegevolgen dragen van terechte en juridisch noodzakelijke klimaatmaatregelen, terwijl van de exploitanten in het geheel geen bijdrage wordt verlangd?

7. Als het zo zou zijn – wat niet goed denkbaar is, maar mogelijk uitgangspunt is van het Ontwerpbesluit - dat de exploitanten in 2020 niet hadden kunnen voorzien dat verdergaande klimaatregelen zouden worden opgelegd die productiebeperkend zouden uitwerken, hoe wordt dan voorkomen dat klimaatmaatregelen die genomen zullen moeten worden ter beperking van de productie in de agrarische sector, tot enorme schade-aanspraken zullen leiden die volledig voor rekening van de gemeenschap dreigen te komen? Is het dan geen zaak dat de regering nu duidelijk aangeeft dat bij het voortzetten en uitbreiden van agrarische bedrijven de ondernemers zelf het risico aanvaarden dat door te nemen klimaatmaatregelen hun exploitatie zal worden beperkt of zelfs beëindigd?