Vragen van Nicolaï (PvdD) over de brief van 14 december 2021 inzake tijde­lijke bepa­lingen in verband met maat­re­gelen ter bestrijding van de epidemie van Covid-19 voor de langere termijn


Indiendatum: jan. 2022

De leden van de Partij voor de Dieren hebben kennis genomen van de brief van 14 december 2021 die verband houdt met Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van Covid-19 voor de langere termijn.

Naar aanleiding van de brief en de daarbij overgelegde stukken hebben de leden de volgende vragen.

1. Hoe oordeelt de regering over het advies van de Raad van State aan het slot van zijn advies ‘Van noodwet tot crisisrecht’? Is een wijziging van de Wet publieke gezondheid met het oog op de pandemische paraatheid een eerste stap in die richting?

2. De Raad van State betoont zich terughoudend (pagina 62 van zijn advies) met betrekking tot het eventueel vervangen van de KB-procedure bij separate toepassing van staatsnoodrecht door alleen een besluit van de minister. “Laatstgenoemde constructie zou gereserveerd moeten blijven voor uitzonderlijke situaties”, als de RvS.

Deelt de minister dat oordeel?

3. In het rapport ‘Modernisering van het staatsnoodrecht’ wordt in paragraaf 4.4 ingegaan op de parlementaire betrokkenheid bij separate inwerkingstelling.

Zou een aanpassing van de Wpg, inhoudende dat de in hoofdstuk Va vervatte bevoegdheden slechts gelden indien deze bij KB of bij een ministerieel besluit zijn geactiveerd totdat de meerderheid van één Kamer uitspreekt dat de bevoegdheid niet langer mag worden uitgeoefend, in overeenstemming zijn met aanbevelingen in dat rapport? En zou dat passen binnen het in de voorgaande vragen bedoelde advies van de Raad van State?

4. Stel dat gekozen wordt voor een wettelijke constructie met een separate inwerkingstelling door een minister en de voorziening dat als de meerderheid in één Kamer uitspreekt dat de bevoegdheid niet langer mag worden uitgeoefend, de door de minister geactiveerde bevoegdheid direct vervalt. Is het naar het oordeel van de minister dan staatsrechtelijk verdedigbaar dat de Raad van State advies uitbrengt aan de Staten Generaal over het activeringsbesluit van de minister, welk advies de Kamers dan kunnen betrekken bij hun afweging of de activering dient te worden beëindigd?