Vragen Prast (PvdD) over tijde­lijke wet Nationaal Groei­fonds


Indiendatum: 12 apr. 2022

De leden van de PvdD hebben de volgende vragen over en naar aanleiding van dit wetsvoorstel.

Het fonds heeft tot doel het bbp dat Nederland op de lange termijn structureel kan genereren te vergroten. Graag horen deze leden waarom de regering structurele groei van het bbp wenselijk acht. Wat zijn hiervan de voordelen?

Volgens veel (klimaat)deskundigen is verdere groei van het bbp op wereldniveau onverenigbaar met de strijd tegen verdere opwarming van de aarde. Hiervoor waarschuwde bijvoorbeeld de Nobelprijswinnaar natuurkunde Giorgio Parisi tijdens de PreCOP najaar 2021. Neemt de regering deze waarschuwing serieus? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat betekent dit voor de wenselijkheid van lange termijn structurele bbp groei? En voor de haalbaarheid ervan?

De definitie van duurzaam verdienvermogen omvat de zinsnede “met oog voor een economische, sociale, en milieuvriendelijke duurzame toekomst voor de aarde en voor huidige en toekomstige generaties”. Deze leden hebben behoefte aan concretisering van de kwalificatie “met oog voor”. Staat dit gelijk aan “onder voorwaarde van”? Het bbp is een concrete kwantitatieve maatstaf. Hoe meet de regering de andere aspecten in deze definitie?

Volgens de NBER landenstudie naar de lange termijn effecten van klimaatverandering (https://www.nber.org/system/files/working_papers/w26167/w26167.pdf) heeft temperatuurstijging een negatief effect op het bbp (negatieve groei). Dit zou betekenen dat de interactie tussen groei en klimaat zowel loopt van bbp groei naar klimaat (negatief effect) als van klimaat naar omvang bbp (negatief effect). Deze leden vragen de minister hierop te reflecteren in het licht van het doel van het Nationaal Groeifonds.

De activiteiten die in aanmerking kunnen komen voor middelen uit het fonds moeten een positief saldo van maatschappelijke baten en lasten hebben. Deze leden vragen de minister om een concretisering hiervan en zij vragen ook hoe deze maatschappelijke baten en lasten en de som ervan zullen worden gemeten.

Klopt het dat (zie artikel 2.3a) het fonds alleen middelen ter beschikking kan stellen voor activiteiten die het bbp vergroten? Zo ja, betekent dit dat activiteiten die leiden tot een duurzamere, maar niet tot een grotere productie niet in aanmerking komen? Zo nee, hoe moeten we voorwaarde 2.3a interpreteren?

Is de minister ermee bekend dat hoe groener de technologie, hoe meer die gebruik maakt van essentiële schaarse mineralen, dat sommige daarvan niet-recycleerbaar zijn, en de verwachting is dat voor 2050 de vraag groter zal zijn dan het aanbod? Houdt hij hiermee rekening bij de aanwending van middelen van het fonds?

Volgens artikel 2.3e mag het fonds alleen middelen ter beschikking stellen voor activiteiten die een positief saldo van maatschappelijke baten en lasten hebben. Hoe zal worden vastgesteld of hieraan wordt voldaan? Welke baten en lasten dienen hierbij te worden meegenomen , en hoe wordt de omvang hiervan gemeten?

Volgens artikel 2.3c mag het fonds alleen middelen ter beschikking stellen voor “activiteiten die betrekking hebben op investeringen die additioneel zijn aan private investeringen”. Kan de minister deze voorwaarde toelichten? Wat wordt bedoeld met “betrekking hebben op investeringen”? Wat wordt bedoeld met additioneel? Gaat het hierbij om investeringen die nog niet door de private sector gedaan zijn, of die de private sector nooit zou doen? Of is de voorwaarde dat er al private investeringen zijn?

Aan welke “andere uitgaven” (artikel 6c) denkt de minister? Kan hij voorbeelden noemen?

De in te stellen Adviescommissie adviseert de ministers. Staat het de ministers vrij om de adviezen al dan niet over te nemen of gaat het om bindende adviezen?

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de onafhankelijkheid van de leden van de Adviescommissie. Kan de minister toelichten waarvan/van wie deze leden onafhankelijk zouden moeten zijn?

Aan welke deskundigheidscriteria moeten de leden van de Adviescommissie voldoen? Borgt de minister dat er deskundigheid op het gebied van opwarming van de aarde, de relatie tussen economische groei en opwarming van de aarde, en het gebruik van mineralen aanwezig is?

Het fonds wordt gevoed uit verschillende bronnen, waaronder de algemene middelen en andere begrotingen. Wordt het putten uit deze bronnen ter goedkeuring aan het parlement voorgelegd?

Het wetsvoorstel geeft een opsomming van mogelijke ontvangers uit het fonds. Kan de minister toelichten waaraan hij denkt bij “andere uitgaven”. Kunnen ook buitenlandse publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en natuurlijke personen in aanmerking komen voor ontvangsten?

Deze leden zien uit naar het antwoord van de minister.