Nadere vragen van Teunissen (PvdD) over kabi­nets­re­actie Green Deal EU


Indiendatum: mei 2020

Nadere schriftelijke vragen PvdD inzake de kabinetsreactie op de Green Deal

De leden van de PvdD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie van het kabinet op de Green Deal en de beantwoording aan deze commissie. De PvdD-fractie heeft nog enkele vragen.

  1. De regering stelt dat sociaaleconomische gevolgen op een geïntegreerde manier moeten worden meegenomen in klimaatbeleid en dat het van belang is dat beleidsmaatregelen niet buiten proportie zijn en een bevolkingsgroep of partij niet onevenredig zwaar belasten.[1]
  2. Tegelijk wil het kabinet instemmen met het vrijhandelsverdrag CETA en introduceert daarmee een geschillenbeslechtingsmechanisme in Nederland voor Noord-Amerikaanse bedrijven, waardoor buitenlandse investeringen in Nederland en de rest van de EU worden beschermd. Dit betreft ook investeringen in fossiele brandstoffen. Om de doelen van Parijs te halen zal 80% van de wereldwijde kolenreserves, een derde van de oliereserves en de helft van de gasreserves in de grond moeten blijven. Noodzakelijk overheidsingrijpen voor het klimaat kan ten koste gaan van buitenlandse investeringen. Hoe gaat het kabinet voorkomen dat burgers niet onevenredig zwaar belast worden doordat zij opgezadeld worden met het aflossen van schadevergoedingen aan fossiele bedrijven? Hoe gaat het kabinet voorkomen dat CETA het Klimaatakkoord van Parijs ondermijnt?
  3. De leden van de PvdD-fractie vinden het opmerkelijk dat het kabinet houtige biomassa nog steeds beschouwt als ‘hernieuwbare energie’, terwijl het kappen van bos zo gebeurd is en aangroei van bos decennia duurt. Dit leidt niet alleen tot CO2-uitstoot en verlies van CO2-opnamecapaciteit, maar ook tot ecologische destructie die gepaard gaat met de houtwinning. Die destructie is door het kabinet (nog) niet in ogenschouw genomen en evenmin in verband gebracht met de biodiversiteitscrisis.
  4. Het kabinet acht “biomassa nu en in de toekomst noodzakelijk voor het verduurzamen van onze economie en het realiseren van de klimaatopgave. Dit kan echter alleen met duurzame biomassa”. Kan de regering toelichten wat zij bedoelt met “duurzame biomassa”?
  5. Is de regering bekend met het artikel in de Telegraaf van 16 mei jongstleden waarin wordt ingegaan op grootschalige houtkap in Estland? Bosecoloog Asko Löhmus stelt daar dat de pelletindustrie in Estland oerbos kapt voor de Nederlandse markt, daartoe aangemoedigd door de subsidies. In 2017 en 2018 verdween maar liefst 12 miljoen kubieke meter hout uit de Estlandse oerbossen, waar volgens wetenschappers 8,4 miljoen het maximum is om nog duurzaam te kunnen herstellen. Het kappen in Estland gaat zo snel dat de voorraad opgeslagen CO2 in Estlandse oerwouden rap kleiner wordt. Dit is dus geen duurzame vorm van bosbeheer. Ook de unieke biodiversiteit in de oerbossen komt door het kappen in gevaar. Is de minister bereid dit bericht te verifiëren? Zo nee, waarom niet?
  6. In het artikel van 8 mei in het Nederlands Dagblad over biomassa benadrukt de minister dat houtige biomassa “inherent tijdelijk is”. Biomassa moet “straks” alleen nog worden ingezet voor zaken waar geen alternatief voor is, zoals bijvoorbeeld in de chemie, aldus de minister. Kan de regering aangeven aan welke termijn zij denkt?
  7. De Europese Commissie ziet de Green Deal als een “groeistrategie” die de EU moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving, met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 ‘netto’ geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. De EC zet in op ‘duurzame en inclusieve groei’. Deze ‘Green Deal’ gaat dus uit van de veronderstelling dat het mogelijk is om economische groei los te koppelen van het gebruik van hulpbronnen en dat natuurbescherming en sociale rechtvaardigheid samengaan met die economische groei.
  8. Op dit moment bestaat deze zogenaamde duurzame groei echter niet, en vormt om die reden een vorm van onbewezen wensdenken. Zo laat een rapport van de OECD zien dat geen enkel land te wereld ‘duurzame groei’ in de praktijk brengt.[1] De European Environment Agency (EEA) reageerde in december met een rapport op de ‘nieuwe groeistrategie’ in de Green Deal waaruit blijkt dat Europa haar duurzame visie om te leven binnen de grenzen van de planeet niet waarmaakt door economische groei te blijven promoten en daarnaast de milieueffecten en de sociale effecten ervan te managen.
  9. Sluit het kabinet zich aan bij de veronderstelling van de Europese Commissie dat economische groei op korte termijn kan worden losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen? Zo ja, waarop baseert het kabinet deze verwachting?

[1] 35 377, D, p.13/14