Nadere vragen van Prast (PvdD) over nadeel­com­pen­satie voor exploi­tanten van kolen­cen­trales ivm de beperking van de CO2-emissie


Indiendatum: 7 dec. 2021

De fractie van de PvdD dankt de minister voor de uitvoerige beantwoording van haar vragen. De beantwoording geeft haar aanleiding dat vervolgvragen. Zij verzoekt iedere vraag afzonderlijk te beantwoorden.

1. Uit de beantwoording van vraag 2 leidt de fractie af dat de minister bevestigt dat uit het bepaalde in artikel 4, tweede lid van de wijziging van de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie in verband met beperking van de CO2-emissie (hierna de Wet) volgt dat bij beoordeling van eventuele toekenning van nadeelcompensatie door de minister moet worden afgewogen welke schade voor rekening van de exploitant behoort te blijven. Is dat juist?

2. In antwoord 3 en 4 gaat de minister uitvoerig in op de wijze van technische berekening van de contante waarde van de netto vrijekasstromen.

In vraag 3 werd gevraagd of het ontwerpbesluit criteria omvat die betrekking hebben op de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bepalen van welk deel van schade voor rekening van de gemeenschap en welk deel voor rekening van de ondernemer dient te komen. Op die vraag gaat de minister niet in.

Kan de minister alsnog aangeven of omtrent de fundamentele afweging of de schade die kolencentrales lijden als gevolg van invoering van artikel 3, tweede lid van de Wet in het ontwerpbesluit wettelijke criteria zijn opgenomen?

3. In het antwoord 3 en 4 is aangegeven: “Dat ondernemingsrisico betreft de marktomstandigheden, waarin ook risico’s op eventuele wijzigingen van het toekomstige overheidsbeleid is meegenomen”. De fractie leidt daaruit af dat het gaat om toekomstig overheidsbeleid in de periode na de inwerkingtreding van de Wet. Is dat juist?

4. Als bij de toepassing van de disconteringsvoet waarop het antwoord op vraag 3 en 4 betrekking heeft, zou blijken dat er geen marktomstandigheden kunnen worden aangewezen waarbij rekening moet worden gehouden met tot nadeel leidend overheidsbeleid in de periode na de inwerkingtreding van de Wet, impliceert dit dan dat bij het bepalen van de nadeelcompensatie de eventuele voorzienbaarheid van de wijziging die de Wet meebrengt, niet zal worden meegenomen?

5. Op vraag 5 is geen antwoord gegeven. Kan de minister alsnog die vraag beantwoorden?

6. Op vraag 6 is geen antwoord gegeven. Kan de minister alsnog die vraag beantwoorden?

7. Ligt in het antwoord op vragen 5 t/m 7 besloten dat de ondernemingen – los van de vraag of na de inwerkingtreding van de Wet nog nieuw tot nadelen leidend overheidsbeleid tot stand komt – de schade als gevolg van de in de Wet vervatte maatregelen vergoed krijgen, zonder dat de vraag aan de orde komt of de ondernemingen in het licht van de in vraag 5 genoemde ontwikkelingen er rekening mee hadden moeten houden dat er productiebeperkende maatregelen zouden worden genomen in de periode tot 31 december 2024?

8. In het antwoord 8 en 9 gaat de minister uitvoerig in op de bescherming die ontleend kan worden aan artikel 1EP EVRM en schetst de minister het rechtens geldende regiem, dat de fractie overigens al bekend is. Terecht merkt de minister op dat in het kader van de fair balance van belang is of maatregelen voorzienbaar zijn geweest.

Is de minister het met de fractie eens dat het van belang is dat de regering reeds nu duidelijk dient aan te geven dat gelet op te verwachten noodzakelijke klimaatmaatregelen ondernemers bij het voortzetten en uitbreiden van agrarische bedrijven zelf het risico aanvaarden dat door verdergaande klimaatmaatregelen hun exploitatie zal worden beperkt of zelfs beëindigd?

Indiendatum: 7 dec. 2021
Antwoorddatum: 7 dec. 2021