Bijdrage Nicolaï voor debat over de Staat van de Rechts­staat 2022


Tijd voor een nieuw ethisch reveil

31 mei 2022

Om deze video te bekijken worden cookies geplaatst van een derde partij.
Cookies accepteren of bekijk video in een nieuw scherm

Voorzitter,

we hebben het vandaag over de rechtsstaat. En dus ook over de staat van het recht.

Recht en beschaving zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De historicus Hans Goedkoop herinnerde ons daar aan, in zijn aangrijpende lezing op 4 mei tijdens de herdenking in de Nieuwe Kerk.

Hij voerde ons terug naar Bergen-Belsen en naar Abel Herzberg. Deze Joodse jurist organiseerde in dat Nazi-kamp een rechtbank die zich boog over kwaad dat de gevangenen in dat kamp elkaar hadden aangedaan. Een brood stelen, een vechtpartij … “in hun rechteloosheid gaan ze rechtspreken”, hield Goedkoop ons voor. Hij citeerde Abel Herzberg: “De eerste zin uit de menselijke beschaving: de erkenning dat er iets is dat mag en iets dat niet mag”.

Ja, zo is het. Menselijke beschaving veronderstelt een ethisch bewustzijn. Het is goed om daar telkens, ook hier in ons werk als senator, bij stil te staan. Want wat wij het ‘algemeen rechtsbewustzijn’ noemen, waarin naar ons oordeel de algemene rechtsbeginselen leven, veronderstelt een ethisch bewustzijn bij ieder van onze gemeenschap. En dat brengt ons naar een staat van recht, en dus ook naar de rechtsstaat.

Ons rechtsgevoel kwam niet alleen in het vizier op 4 mei, de dag dat we ons bezinnen op wat een staat van rechteloosheid teweeg brengt.

Enkele weken eerder kwamen gruweldaden van Russische militairen in beeld. Schokkende verhalen over een Kwaad dat we zo lang al niet meer dichtbij hadden gevoeld.

In een rapport van 18 mei jl. concludeerde de mensenrechten-organisatie Human Rights Watch dat Rusland zich stelselmatig schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden.

Op diezelfde dag begon in Kiev een eerste rechtszaak tegen een Russische soldaat die een onschuldige burger had doodgeschoten. De 21-jarige soldaat kreeg een week geleden zijn vonnis te horen: levenslang.

Voorzitter,

De “eerste zin uit de menselijke beschaving” zal altijd doorklinken in de toepassing van het recht. Zomaar een burger doodschieten; hoe jong de dader ook is, hoezeer gehersenspoeld door commandanten, hoezeer misleid door desinformatie, een beschaafd mens met een ethisch bewustzijn ontkomt er niet aan om zijn eigen daad tot het Kwaad te rekenen.

Voorzitter,

De historicus Hans Goedkoop hield ons op 4 mei nóg iets belangrijks voor:. Ik citeer hem “Als de mens zijn eigen kwaad niet ziet, hoe hou je dan vast aan wat er mag en niet mag?”

Dat is inderdaad een fundamentele opgave voor de bewakers van de rechtsstaat: breng het eigen Kwaad, ook als dat in het verleden lag, in beeld en leg verantwoording af in termen van Recht.

Een rechtsbewustzijn evolueert; na de eerste zin van de beschaving komen nog veel andere zinnen. Dat leidt tot telkens weer nieuwe morele opgaven en een groeiend besef van goed en kwaad.

Zo’n opgave is dat wij het optreden van de Nederlandse Staat in het verleden dat wij tegenwoordig uit een oogpunt van ethiek en recht verwerpen, alsnog in termen van Recht, dus als onrecht dienen te aan te merken.

Juist met die erkenning schragen wij ons huidige bewustzijn van goed en kwaad en erkent de rechtsstaat zijn fundamenten.

Daarom stelde ik in het vorige rechtsstaatdebat ook voor, dat er een wet zou moeten komen waarin het slavernijverleden alsnog als een misdaad tegen de menselijkheid zou moeten worden aangemerkt.

Het instellen van de werkgroep zelfevaluatie naar aanleiding van de toeslagenaffaire dat in het debat vandaag ook aan de orde komt, getuigt ook van de erkenning van de morele plicht na te gaan in hoeverre bij eerder handelen het ethische kompas uit het oog verloren was.

Voorzitter,

Een rechtsstaat die zich als staat van Recht ontwikkelt, heeft niet alleen juristen nodig maar ook de kennis, kunde en inzet van historici die het Kwaad blootleggen.

Op 17 februari dit jaar kwam Het Kwaad dat wij in Indonesië hebben aangericht prominent in beeld. Op die dag werd door de onderzoekers van het NIOD en andere betrokken instituten het rapport ‘Over de grens’ gepresenteerd, een rapport over “extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog 1945-1949’.

Die publicatie en de uitzending van de presentatie van het rapport vormden een historische gebeurtenis; een stap die iets zegt over de ontwikkelingsgang van onze huidige Nederlandse rechtsstaat.

Een paar jaar eerder – op 1 oktober 2019 - gaf ook de rechterlijke macht blijk van de kracht van ons algemeen rechtsbewustzijn.

In de civiele zaken van slachtoffers van de misdaden van de Speciale Troepen van kapitein Westerling had de Staat zich op de civielrechtelijke verjaring beroepen. Dat achtte het Haagse gerechtshof rechtens onaanvaardbaar.

Maar het Hof ging nog verder. Het maakte ook een uitstapje naar de strafrechtelijke verjaring. Bij wet van 8 april 1971 die een beroep op verjaring van misdrijven tegen de menselijkheid uitsloot, was een uitdrukkelijke uitzondering gemaakt voor misdrijven die in de periode 1945-1950 door Nederlandse militairen waren begaan.

Het Hof merkte fijntjes op dat aan die beslissing “politieke overwegingen ten grondslag” hadden gelegen die naar de stand van het huidige algemeen rechtsbewustzijn zoals ook neergelegd in internationale afspraken niet meer geaccepteerd mogen worden.

Weer een uiting van beschaving, met dank aan de rechter die hier een onethische politieke beslissing corrigeerde.

En daarmee lag de vraag open of de afwijzing door Justitie in 2012 van een verzoek om strafrechtelijke vervolging van de militairen, wel rechtens juist was geweest. Die afwijzing was immers gebaseerd op de met algemene rechtsbeginselen en verdragen strijdige wet van 8 april 1971.

Voorzitter,

Historici en juristen onderschreven dus de verantwoordelijkheid van onze huidige rechtsstaat voor het in het verleden toegebrachte Kwaad dat in het rapport ‘Over de grens” is blootgelegd.

Dat ging om Kwaad dat zo’n zeventig jaar eerder, dus nog redelijk recent, aan de orde was.

Voorzitter,

Precies 100 jaar geleden nam Hendrikus Colijn de leiding over van de Antirevolutionaire Partij. Al snel daarna werd hij minister van Financiën en vervolgens leidde hij als Minister President vier kabinetten. Dat was van 1933 tot en met 1939.

Veertig jaar daarvóór was deze politicus met een militaire carrière in Indonesië begonnen. Hij had een belangrijke rol in de Atjeh-oorlog en tijdens de zogeheten Lombok-expeditie. Hij werd daar later voor beloond met de Militaire Willemsorde. Die wordt verleend voor “uitstekende daden van moed, beleid en trouw”.

Een aan die Lombok-expeditie deelnemende jonge luitenant schreef aan zijn geliefde een brief. Die ging over de strijd die hij als bevelvoerend officier op Lombok op dat moment leverde met een opstandige bevolking – mannen en vrouwen – die zich met speren en klewangs tegen het Nederlandse met snelvuurgeweren bewapende leger verzetten.

Voorzitter, ik citeer uit zijn brief:

“Ik heb er één gezien die, met een kind van ongeveer ½ jaar op den linkerarm, en een lange lans in de rechterhand op ons aanstormde. Een kogel van ons doodde moeder en kind. We mochten toen geen genade meer geven. Ik heb negen vrouwen en drie kinderen, die genade vroegen, op een hoop moeten zetten en ze zoo dood laten schieten. Het was onaangenaam werk, maar ’t kon niet anders. De soldaten regen ze met genot aan hun bajonetten”.

De vrouw aan wie hij zijn brief gestuurd had, schreef in de kantlijn “Hoe vreeselijk!!”.

“Hoe vreselijk”, voorzitter, er zijn kennelijk vrouwen voor nodig om gebeurtenissen als deze vanuit menselijk standpunt te beoordelen.

Voorzitter,

Deze luitenant die zijn geliefde over zijn misdrijven schreef, werd later Minister-President van Nederland.

Ja voorzitter, ja ministers, ja collega-senatoren, de brief waaruit ik voorlas, was van Hendrikus Colijn. Die brief bevindt zich in het archief van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederland Protestantisme, een scan van de bewuste passage heb ik hier bij me.

Voorzitter,

Vlak vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de uitroeiing van onschuldigen die wij op 4 mei herdachten, werd onze rechtsstaat geleid door een Minister-president die negen om genade vragende Balinese vrouwen en drie kinderen liet afslachten.

Wat zegt dit over onze rechtsstaat?

En wat zegt het dat de slachtpartijen en koloniale onderwerping van Indonesië in de vorige eeuw officieel werd aangeduid als “ethische politiek”, de “ethische richting” in de koloniale politiek?

Voorzitter,

Het debat van vandaag gaat ook over desinformatie. Hier zien we een historisch staaltje daarvan.

Het nietsontziend - met gruwelijke slachtpartijen - onderwerpen van een bevolking, werd als een ethische opdracht geformuleerd; het ging immers om het civiliseren van een bevolking in een door Nederland veroverde kolonie om haar tot een westerse beschaving te ’verheffen’.

Voorzitter,

Het “hoe vreeselijk” dat de echtgenote van Colijn uitsprak toen ze zijn brief las, heeft méér met verheffing te maken.

Dat besef van goed en kwaad was er ook toen al, en kon uitgesproken worden. Maar zo lang het alleen maar in de kantlijn werd genoteerd en desinformatie en propaganda over slachtpartijen vanuit de overheid als ethisch noodzakelijk werden voorgesteld, verdween de beschaving uit beeld.

Voorzitter,

Beschaving en onze zorg voor de rechtsstaat vereisen dat we het Kwaad waaraan Colijn deelnam, ook al is dat meer dan een eeuw geleden, onder ogen zien, historisch onderzoeken en in termen van recht beoordelen.

Als de eerste zin uit de menselijke beschaving de basis vormt voor het veroordelen van misdrijven tegen de menselijkheid, zoals begaan door de jonge Russische soldaat, dient dat dan ook niet te gelden voor een veroordeling van misdaden die onder het mom van de ‘ethische politiek’ ruim een eeuw geleden in Atjeh en Lombok zijn begaan?

En dat, voorzitter, mede onder leiding van iemand die daarvoor met een militaire Willemsorde werd geëerd en Minister-President van ons land werd?

Voorzitter,

En halve eeuw na de misdaden van Colijn hield de Nederlandse rechtsstaat opnieuw huis in Indonesië. Nu ging het niet om koloniale verovering maar om een krampachtige strijd tot behoud van de kolonie en het meedogenloos onderdrukken van een vrijheidsstrijd.

Het heeft lang – te lang – geduurd voordat een zo grote groep historici op verzoek van de regering zich zo diepgaand met het systematisch extreem geweld in Indonesië mocht bezig houden.

Wat met het rapport ‘over de grens’ onlangs boven tafel kwam, zal op ieder van ons hier diepe indruk gemaakt hebben.

Voorzitter,

Vlak voor de presentatie van de studie van het NIOD en de andere instituten verscheen een boek van de jurist Maurice Swirc met de titel “De Indische doofpot” en als ondertitel “Waarom Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië nooit zijn vervolgd”.

De titel ‘Oost-Indische doofpot’ zou nog passender geweest zijn. Want als er uit de inhoud van dat boek één ding duidelijk wordt, dan is het dat de Nederlandse regering wel degelijk wist dat Westerling – ik citeer uit dat boek - “zich aan een ontoelaatbaar optreden had schuldig gemaakt”. Dat laatste is een letterlijk citaat van Minister-president Drees uit de ministerraad van 29 februari 1949.

In datzelfde jaar 1949 werd een onderzoekscommissie gevormd om de misdrijven van de Nederlandse militairen te onderzoeken. Dat leidde tot een rapport van de twee juristen Van Rij en Stam dat in 1954 op tafel kwam bij minister van justitie Donker.

Nu lagen daar duidelijk de bewijzen van misdrijven tegen de menselijkheid . En niet alleen dat. Aan mijn leermeester Prof. Guus Belinfante, die toentertijd raadsadviseur was op Justitie, werd gevraagd om het rapport ‘op zijn juridische merites te bezien met het oog op eventuele strafvervolging tegen de betrokkenen”.

Voorzitter,

De conclusies van Belinfante waren explosief; ik citeer: “het optreden van Westerling en zijn navolgers, hoezeer ook gedekt door gezaghebbende autoriteiten, miste iedere wettelijke grondslag”.

Niet alleen tegen Westerling kon vervolging worden ingesteld, maar ook tegen diens meerderen en tegen militairen en bestuurders die daar weer boven stonden.

Belinfante sprak van een ‘sneeuwbal’ die dan verder rolt en waarschuwde dat “men er niet aan zal kunnen ontkomen de rol die de civiele autoriteiten gespeeld hebben, vast te stellen”.

Voorzitter,

We hebben het vandaag in dit debat over de rechtsstaat ook over de ‘open overheid’. De rapporten van Van Rij en Stam en de bevindingen van raadsadviseur Belinfante en die van raadsadviseur Kazemier, die zijn zienswijze deelde, werden de Kamer onthouden en als ‘zeer geheim’ gearchiveerd.

De ministerraad koos voor de doofpot en stemde in meerderheid tegen vervolging. Over wat de regering wist, werd gezwegen.

Voorzitter,

Moet de deksel nu niet helemaal open, zoals het een beschaafde rechtsstaat past? Zijn er niet nog steeds stukken geheim of ‘beperkt raadpleegbaar’.

Voorzitter,

Terug naar Hans Goedkoop: “Als de mens zijn eigen kwaad niet ziet, hoe hou je dan vast aan wat er mag en niet mag?”

Voor dit debat over de rechtsstaat interpreteer ik dit credo aldus: juist om onze ethische uitgangspunten en het algemeen rechtsbewustzijn te ankeren, is het nodig dat door juristen gezaghebbend wordt vastgesteld of het militaire handelen van Nederland in Indonesië in de periode die in het rapport “Over de grens’ wordt behandeld strafbaar was.

En dat geldt ook voor de vraag in hoeverre functionarissen van de Nederlandse staat daaraan hebben bijgedragen.

De historici van het NIOD kozen er bewust voor geen juridische beoordeling te geven. Daar ligt dus een uitnodiging voor de juristen. En die moeten wij als bewakers van de rechtsstaat oppakken.

En hoe zit het met de Indië-weigeraars? Burgers die zich onttokken aan de opkomstplicht of militairen die deserteerden?

Stonden zij na kennisneming van het rapport ‘Over de grens’, niet eigenlijk aan de goede kant van de geschiedenis?

Voorzitter,

In de 4 mei-rede van Hans Goedkoop staat – voor mijn gevoel – ook de vraag centraal of wij anno nu in dit zogenaamde ‘gave’ land nog wel over het “puntgave kompas voor goed en kwaad” beschikken.

Voorzitter,

We kunnen het over de toeslagenaffaire hebben, over het verliezen van zicht op ‘de menselijke maat’, over een nog veel ruimer ‘hoe vreeselijk’ dan dat van de echtgenote van Colijn.

Centraal bij dat alles staat de vraag: is onze rechtsstaat niet de mens zelf uit het oog verloren? Is het geld niet in de plaats gekomen van ons ethische kompas? Denken we nog alleen in termen van ‘hebben’ in plaats van ‘zijn’? Is in de politiek de ethiek verdwenen?

Hans Goedkoop stuit aan het slot van zijn rede ook op zulke vragen.

In het kader van de sancties tegen Rusland kwam toch bij eenieder met een redelijk kompas voor goed en kwaad, de vraag op hoe ethisch verantwoord het is dat Nederland als belastingparadijs fungeert en financiële structuren faciliteert voor onfrisse figuren uit al even onfrisse regimes.

In ons zogenaamde ‘gave’ land waren we erop uit om, zoals Goedkoop het in relatie tot de Russische kleptocraten formuleert, “een prettig vestigingsklimaat te scheppen voor het geld van die agressor, waarvan we toen al wisten dat het dievengeld was”.

Voorzitter,

Er waart een spook door Europa, met name ook door ons land. Een spook dat rechtpraat wat krom is. Niet de meeste stemmen gelden, maar de meeste gelden stemmen. De rijken verrijken zich, terwijl de armoede dramatisch toeneemt.

Wordt het geen tijd voor een ethisch reveil?

Voor sommigen heeft die term een slechte geur, die voor hen verbonden is met gedateerde christendemocratische politiek.

Maar wat is er tegen om de beschaving weer dichterbij te brengen, ons ethische kompas te hervinden, de blinde macht van het geld en de propaganda over dat ‘gave’ land van ons af te werpen en terug te keren naar de meest basale ethische uitgangspunten waarin ook ons recht geworteld is?

In de deskundigenbijeenkomst was iedereen het erover eens dat rechtsverwerkelijking in een rechtsstaat ertoe dient te leiden dat “ieder het zijne” krijgt toebedeeld. Een fundamenteel rechtsbeginsel.

Dat vergt voor eenieder die in de rechtsstaat participeert een terugkeer naar het eigen ethisch kompas.

Voorzitter,

Onze partij betrekt in het ‘ieder het zijne’ ook de positie van dieren, dat zal u niet verbazen.

Voorzitter,

De VOC-mentaliteit en het imperialisme heeft zich verplaatst van mensdom naar dierenrijk.

Wat doet een ethisch reveil met de ambitie van ons ‘gave’ land om de grootste slager en melkboer van de wereld te willen zijn en daarom zonder toepassing van enig moreel kompas 600 miljoen dieren jaarlijks in ons land te slachten na een kort en ellendig leven?

En over desinformatie gesproken: waar de huidige wetgeving het heeft over diergeneeskundige ingrepen, blijkt het niet te gaan om het genezen van dieren maar om het verminken.

De wetsartikelen gaan over bevoegdheden tot het afknippen van staarten, het verwijderen van horens, het afvijlen van hoektanden, en ga zo maar door, alles om het houden van dieren in stallen te vergemakkelijken.

Zoals het begrip ‘ethische koloniale politiek’ het misdadige karakter van slachtpartijen onder de Indonesische bevolking verdoezelde, wordt nu het verminken van dieren in het bedrijfseconomisch belang als Geneeskunde voorgesteld. Hoe ‘vreselijk’.

Voorzitter,

Het ‘hoe vreeselijk’ moet weer verbinding krijgen met ons rechtsgevoel; en de opgave zal zijn om vast te stellen waar morele plichten tot het domein van rechtsplichten moeten worden gerekend! Dat is een zware opgave als we zien wat zich op dit moment in de wereld voltrekt.

Voorzitter,

Het aantal mensen dat te kampen heeft met voedseltekorten is in twee jaar gestegen van 136 miljoen naar 276 miljoen.

Van de stijging van de voedselprijzen profiteren miljardairs in de voedsel- en energiesector, hun vermogen neemt elke dag met 600 miljoen dollar toe. Tijdens de pandemie kwamen er 62 nieuwe miljardairs in de voedselsector bij, terwijl 263 miljoen mensen in armoede vervielen.

En dan heb ik het nog niet eens over de miljoenen klimaatvluchtelingen en slachtoffers van onze vrijhandelsverdragen die minder ontwikkelde economieën op een nog grotere achterstand zetten.

Voorzitter,

Bij misdaden tegen de menselijkheid denken we aan schietende soldaten. Maar wie in termen van een ethisch reveil denkt, ziet dat een ethische plicht om ‘ieder het zijne’ te geven, zich moet uitstrekken naar die miljoenen slachtoffers van armoede en water- en voedseltekorten.

Niets doen voelt ethisch gezien als misdadig. Wie de blik afwendt van overduidelijk onrecht, maakt zichzelf moreel mede schuldig aan zulk onrecht.

En in het kader van de staat van het recht en van de rechtsstaat doemt dan vervolgens de vraag op of het niets doen ook in termen van recht als ‘misdadig’ aan te merken valt.

Dat is een belangrijke vraag voor degenen die de rechtsstaat onderhouden, dus voor de ministers hier en voor ons als senatoren.

Voorzitter,

Ik sluit af met een aantal duidelijke vragen:

1. Is de minister het met mij eens dat – aangenomen dat de feiten overeenstemmen met wat Hendrikus Colijn aan zijn echtgenote schrijft over de strijd op Lombok - moet worden vastgesteld dat een latere Minister-President van Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de menselijkheid? En is de regering bereid om de verleende Willemsorde in te trekken?

2. Zijn alle archiefstukken van de overheid die betrekking hebben op de oorlogshandelingen van Nederland in Indonesië in de periode waarop het rapport ‘Over de grens’ betrekking heeft, inmiddels openbaar toegankelijk? Zo nee, is de regering bereid die toegankelijkheid te realiseren?

3. Is de minister bereid om een commissie van gezaghebbende juristen in te stellen die tot taak krijgt om op grond van het tot op heden beschikbare feitenmateriaal te beoordelen of kapitein Westerling, diens ondergeschikten en diens superieuren, zich tijdens het militair optreden schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten?

4. Is de minister bereid stappen te ondernemen om wettelijk eerherstel te verlenen aan die dienstplichtige militairen die veroordeeld zijn wegens dienstweigering of desertie gepleegd tussen 15 augustus 1945 en 31 december 1949?


5. Geeft het gedrag van deze Indië-weigeraars en -deserteurs niet eerder grond voor lof dan voor straf, omdat zij aan de goede kant van de geschiedenis stonden?

6. Naar aanleiding van een strafklacht die op 12 januari 2012 is ingediend door Pondaag met betrekking tot misdrijven begaan door Nederlandse militairen is toen besloten niet te vervolgen met een beroep op verjaring. Is de minister het met mij eens dat ten onrechte een beroep op strafrechtelijke verjaring is gedaan?

7. Is de minister het met mij eens dat de regering door het geheim houden van de rapportage van Van Rij en Stam en door na te laten de Kamer te informeren omtrent de inhoud van de adviezen van Belinfante en Kazimier over de strafbaarheid van het handelen van Westerling, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover gedupeerden van dat handelen en voorts haar grondwettelijke informatieplicht tegenover het parlement heeft geschonden?

8. Kan de minister reflecteren op de vraag in hoeverre het met gebruik van Nederlandse wetgeving faciliteren van een groep die internationaal wordt aangeduid als “kleptocraten”, bijdraagt aan de ondermijning van de rechtsorde? En als de minister die opvatting deelt, is hij dan bereid een plan van aanpak te maken om het openen van brievenbusfirma’s die dit faciliteren, strafbaar te stellen?

9. Kan de minister reflecteren op de vraag of een plicht om maatregelen te nemen om de voedselcrisis tegen te gaan en om superrijken aan te pakken, niet alleen als een morele maar ook als een rechtsplicht zou moeten worden aangemerkt? En als dat het geval is, kan de minister dan reflecteren op de termijn en wijze waarop dat vorm zou kunnen krijgen?

Voorzitter,

Ik kijk met belangstelling uit naar de antwoorden van de minister.