Vragen van Peter Nicolaï (PvdD) over vacci­na­tie­be­wijzen


Indiendatum: mrt. 2021

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben naar aanleiding van brief van de minister van VWS van 23 februari 2021 aan de Tweede Kamer over de stand van zaken van Covid-19, mede in verband met de toezegging aan het lid Van Dijk (T03020) de volgende vragen.

Op bladzijde 55 van de brief geeft de minister aan dat het advies van de Gezondheidsraad over het gebruik van vaccinatiebewijzen nog wordt bestudeerd.

Volgens de RIVM staat niet vast dat het vaccineren tegen Covid-19 ertoe leidt dat de gevaccineerde persoon anderen niet meer kan besmetten (https://www.rivm.nl/covid-19-v...;

Vaccinatie beschermt jou tegen ziekte door corona, maar we weten nog niet of iemand die gevaccineerd is toch het virus kan verspreiden. 
Daarnaast is het zo dat één tot twee weken na vaccinatie 60-90% van de mensen beschermd is tegen corona. Dus niet iedereen is beschermd. De kans dat je na twee vaccinaties corona krijgt is erg klein, maar niet nul. Daarom gelden voor gevaccineerde mensen voorlopig dezelfde algemene coronaregels als voor mensen die niet gevaccineerd zijn.

Vragen:

1. Deelt de regering het oordeel van de leden van de fractie van de PvdD dat het pas zin heeft om over acceptatie, gebruik en/of invoering van een vaccinatiebewijs te beslissen als vast staat dat het vaccin ertoe leidt dat de gevaccineerde niet meer anderen kan besmetten?

2. Als vast staat – zoals door het RIVM wetenschappelijk is vastgesteld – dat de kans dat je corona krijgt zelfs na 2 vaccinaties niet nul is zodat door gevaccineerde personen de algemene coronaregels nog steeds zullen moeten worden nageleefd, wat heeft het gebruik van een vaccinatiebewijs dan voor zin?

3. De regering heeft in de Eerste Kamer toegezegd aan het lid Van Dijk van SGP dat gewetensbezwaren van niet-gevaccineerden zullen worden gerespecteerd (waarin is geïmpliceerd dat zij feitelijk niet mogen worden uitgesloten van normaal functioneren in de samenleving). Brengt die toezegging mede dat aan niet-gevaccineerden niet de toegang mag worden ontzegd tot diensten en tot gelegenheden die wel worden opengesteld voor gevaccineerden?

4. Als met het betrekking tot het openstellen van diensten en het verschaffen van toegang tot gelegenheden wordt vergeleken tussen een persoon die vooraf een sneltest heeft ondergaan met een negatief resultaat en een persoon die over een vaccinatiebewijs beschikt maar die geen sneltest heeft ondergaan, in welk geval is dan mogelijke besmetting van anderen door die persoon méér aannemelijk? En in hoeverre zou dat moeten leiden tot verschillende maatregelen om besmetting te voorkomen?

5. Deel de regering het oordeel van de fractie van de PvdD dat personen die in verband met mogelijke bijwerkingen van de vaccins zich niet willen laten vaccineren op één lijn moeten worden gesteld met personen die gewetensbezwaren hebben tegen vaccinatie, zoals bedoeld in de vraag van de SGP die heeft geleid tot de toezegging.

6. Acht de regering het gegeven hoeveel personen om reden van nog onvoldoende bekendheid over bijwerkingen van vaccinatie afzien, van belang voor een beslissing of zou mogen worden toegestaan dat een vaccinatiebewijs zal mogen worden gehanteerd met het oog op het openstellen van diensten en het verschaffen van toegang tot gelegenheden?

7. Als de regering van oordeel is dat het uit een oogpunt van gelijke behandeling onjuist is dat wordt toegestaan dat een vaccinatiebewijs zou mogen worden gehanteerd met het oog op het openstellen van diensten en het verschaffen van toegang tot gelegenheden, is zij dan bereid om het gebruik van een vaccinatiebewijs te verbieden en daarbij regels te stellen die overeenkomen met de eisen ingevolge artikel 6d, achtste lid van de Tijdelijke wet notificatieapplicatie covid-19? Acht de regering zich gehouden tot het stellen van dat verbod op grond van de toezegging die zij in de Eerste Kamer naar aanleiding van vragen van het lid Van Dijk heeft gedaan?