Vragen van Nicolaï over sala­ris­korting werk­nemers Aruba


Indiendatum: okt. 2022

De leden van de fractie van de PvdD hebben met belangstelling kennisgenomen van de beantwoording van de vragen over de invulling salariskorting Aruba n.a.v. besluitvorming Rijksministerraad 4 februari 2022. Naar aanleiding daarvan hebben zij nog de volgende vragen.

1. Deelt de staatssecretaris het oordeel van de leden van de PvdD dat het besluit van de rijksministerraad “dat een korting van 12,5% op het totale pakket aan arbeidsvoorwaarden moet worden toegepast” ingevolge artikel 3:2 Awb en artikel 3:4 Awb dient te berusten op een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke belangenafweging? Zo nee, op grond waarvan komt de staatssecretaris tot een ander oordeel? Zo ja, hou verhoudt zich daarmee dat – zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt – “in het kader van deze besluitvorming geen nader onderzoek plaatsgevonden” heeft?

2. Deelt de staatssecretaris het oordeel van de leden van de PvdD dat bij een besluit tot salarisverlaging van werknemers in de publieke sector rekening dient te worden gehouden met de kosten van levensonderhoud en met de vraag wat de gevolgen zullen zijn van zo’n salarisverlaging? Zo nee, op grond waarvan komt de staatssecretaris tot een ander oordeel? Zo ja, in hoeverre heeft de rijksministerraad meegewogen of de werknemers die door de salariskorting getroffen konden worden, die korting konden dragen gelet op de kosten van levensonderhoud in Aruba?

3. Als argument voor de hoogte van de salariskorting wordt verwezen naar het feit dat Aruba “uit eigen beweging al eerder tot een korting van 12,6% op de arbeidsvoorwaarden had besloten” (antwoord op vraag 2).

Hadden Curaçao en Sint Maarten ook al zelf tot een vergelijkbare korting besloten? Zo nee, welke argumenten hebben gegolden om die landen ook de korting van 12,5% op te leggen en in hoeverre is aan die besluiten wel een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke belangenafweging vooraf gegaan?

4. Uit het antwoord op vraag 8 leiden de leden van de PvdD af dat de artikelen 50 en 51 van het Statuut naar het oordeel van de regering geen grond zouden kunnen opleveren om in de gegeven omstandigheden eenzijdig de landen te verplichten tot de betreffende salariskorting.

Zien de leden van de PvdD het goed dat het opleggen van die korting in de visie van de regering juridisch de grondslag vindt in de overeenkomsten die met de landen zijn gesloten met betrekking tot de financiële hulp die deze landen behoefden als gevolg van de Corona-crisis?

5. In de brief van 21 juli 2022 35 925 IV (34 269 Q) stelt de staatssecretaris “Door ondertekening van de leenovereenkomsten voor de liquiditeitssteun verplichtten de landen zich aan alle door de RMR daaraan verbonden voorwaarden te houden”.

a. Zijn de Staten van de betreffende landen rechtens gehouden om hun wetgevende bevoegdheid niet aan te wenden op een wijze die ertoe leidt dat het land zich niet houdt aan de door de RMR gestelde voorwaarden? Zo ja, uit welke voorschriften blijkt dat?

b. In het privaatrecht geldt als beginsel dat nakoming van een overeenkomst niet kan worden afgedwongen indien de overeenkomst onder dwang of door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. In artikel 3:44 BW worden ‘noodtoestand’ en ‘afhankelijkheid’ genoemd als factoren die bepalen of met misbruik van omstandigheden een rechtshandeling is tot stand gekomen. Deelt de staatsecretaris het oordeel van de leden van de PvdD dat toepassing van dat beginsel op de overeenkomsten die met de landen zijn getroffen, de vraag in beeld brengt of door Nederland ten tijde van de ondertekening van die overeenkomsten in overeenstemming met de geldende rechtsregels, rechtsbeginselen en ethische normen is gehandeld? Zo ja, wat is dan het antwoord op die vraag?

Interessant voor jou

Nadere vragen van Prast (PvdD) over derde incidentele supplementaire begroting Financiën

Lees verder

Bijdrage van Koffeman (PvdD) evaluatiewet Wet financiering politieke partijen

Lees verder

    Learn More Doneer