Vragen van Nicolaï (PvdD) over Wets­voorstel gewelds­aan­wijzing door opspo­rings­amb­te­naren


Kritische vragen over Poli­tiewet

Indiendatum: 9 jun. 2020

De fractie van de PvdD heeft met belangstelling kennis genomen van de Memorie van Antwoord. In paragraaf 7 daarvan de is door de regering nog eens verduidelijkt dat de normen die behoren tot de ‘geweldsinstructie’ als bedoeld in de voorgestelde bepalingen van artikel 42, tweede lid Sr en artikel 372 Sr mede liggen in de artikel 7 Politiewet. De Ambtsinstructie bevat – zo drukt de regering het uit – slechts de ‘ondergrens’. De normen die in concreto daarboven nog in acht moeten worden genomen, vloeien voort uit het bepaalde in artikel 7 Politiewet. Omdat de Politiewet aan parlementaire controle onderworpen is, acht de regering kennelijk voldoende voorzien in parlementaire controle op de normen die bij geweldsaanwending in acht moeten worden genomen.

In artikel 7, eerste en zevende lid van de Politiewet zijn de volgende normen omschreven:

a. geweld mag worden gebruikt “wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt”

b. terwijl “dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt”,

c. waarbij de geweldsuitoefening “in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dient te zijn”.

In artikel 7 Politiewet zijn in feite slechts een aantal rechtsbeginselen opgenomen (die van proportionaliteit, subsidiariteit en redelijkheid). De Raad van State heeft in verband met het ‘beginselkarakter’ van die normen in haar advies aangegeven dat “het bestanddeel <schenden van de geweldsinstructie> deels weinig precies is bepaald.” In het licht van het lex certa-beginsel en de eis van goede parlementaire controle die juist ook van belang is waar het gaat om normen die geweldsaanwending door overheidsdienaren betreffen, wenst de fractie van de PvdD nog een aantal vragen te stellen.

Is het juist dat de Ambtsinstructie slechts een deel van de geweldsaanwending kan normeren? Zo nee, welke mogelijkheid ziet de regering om voor alle vormen van geweldsaanwending meer precieze normen vast te stellen? Zo ja, in hoeverre is dan de parlementaire controle op de inhoud van de normen verzekerd? Waarom worden niet meer precieze normen in de Politiewet opgenomen? Waarom is geen parlementaire betrokkenheid geregeld bij de totstandkoming en wijziging van de Ambtsinstructie? Is de regering bereid om het ertoe te leiden dat in parlementaire betrokkenheid wordt voorzien bij de totstandkoming of wijziging van de Ambtsinstructie? Op welke wijze zou dat kunnen gebeuren?

In paragraaf 4 van de Memorie van Antwoord onderstreept de regering nogmaals dat met het invoeren van artikel 372 Sr rekening wordt gehouden “met de specifieke taak en bevoegdheid van de opsporingsambtenaar, zodat het handelen van de opsporingsambtenaar kan worden beoordeeld binnen de specifiek voor hem geldende wettelijke context”.

De fractie van de PvdD erkent het belang om uit te gaan van een specifieke wettelijke context voor de ambtenaar die bevoegd is “in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken” maar mist in de voorgestelde wetswijziging de benadering die uit een oogpunt van rechtsstatelijke bescherming van burgers in dat kader behoort te worden gevolgd. Terwijl voor alle ambtenaren geldt dat zij zich jegens burgers behoorlijk dienen te gedragen, gelden voor ambtenaren die dieper ingrijpende bevoegdheden mogen hanteren, bijzondere eisen. Voor ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van wetten zijn in de artikelen 5:12 t/m 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht normen vervat die betrekking hebben op een juiste uitoefening van hun bevoegdheden. De daarin vervatte fundamentele behoorlijkheidregels verschillen niet van die welke in artikel 7, eerste en zevende lid van de Politiewet zijn vervat. De Politiewet stelt dus geen strengere eisen.

De wetgever heeft tot taak de (grond)rechten van burgers te beschermen en de aanwending van daarop inbreuk makende middelen door ambtenaren zorgvuldig te normeren. Ambtenaren die geweld mogen gebruiken, verschillen van alle andere ambtenaren die ook bevoegdheden mogen hanteren die ingrijpen in belangen en (grond)rechten van burgers. Zij zijn immers bevoegd tot het toebrengen van letsel. De demonstraties tegen politiegeweld die de laatste weken hebben plaatsgevonden en de zorg die veel burgers uiten die zich tot de leden van de Eerste Kamer hebben gewend, tonen aan hoe gevoelig de kwestie ligt wanneer het gaat om het al dan niet gerechtvaardigd toebrengen van letsel aan burgers en de strikte normering van het geweld dat ambtenaren mogen gebruiken.

Het is een taak van de overheid om de geweldsinstructies zo precies mogelijk te formuleren en deze zo streng mogelijk te handhaven. De ‘specifieke positie’ van de ambtenaren die geweld mogen toepassen, is voor de regering aanleiding geweest om een strafuitsluitingsgrond en een nieuw strafbaar feit voor te stellen, waarbij in beide gevallen de ‘geweldinstructie’ het middelpunt vormt waarop de normering is gericht. Is de regering het met de fractie van de PvdD eens dat de specifieke positie van ambtenaren die geweld mogen toepassen tot uitdrukking dient te komen in een andere wijze van sanctionering van onrechtmatig gebruik van ambtelijke bevoegdheden dan die geldt voor ambtenaren die niet bevoegd zijn tot het aanwenden van geweld? Voor alle ambtenaren geldt dat als zij ‘over de schreef gaan’, zij tuchtrechtelijk kunnen worden aangepakt. Daarnaast kunnen zij – zoals recentelijk is gebeurd bij de belastingdienst – strafrechtelijk worden aangesproken als hun onrechtmatige behandeling van burgers valt onder een commuun delict. Is de regering het met de fractie van de PvdD eens dat het belang van bescherming tegen onrechtmatige geweldstoepassing ertoe dient te leiden dat naast de twee sanctiewegen die voor alle ambtenaren kunnen worden gevolgd, voor ambtenaren die geweld mogen gebruiken nog een derde sanctieweg dient te bestaan: het strafrechtelijk bestraffen van de enkele overtreding van de ambtinstructie? In het voorgestelde artikel 372 Sr is er alleen sprake van strafbaarheid indien de overtreding van de geweldinstructie leidt tot letsel of de dood. Waarom is die beperking gewettigd? Waarom is in artikel 372 Sr niet ook het enkele feit dat “aan zijn schuld te wijten is dat hij het in zijn geweldsinstructie bepaalde schendt” als strafbaar feit opgenomen? Die delictsomschrijving kan dan worden gevolgd door de bijzondere bepalingen die nu onder sub 1, 2 en 3 van het voorgestelde artikel 372 Sr zijn vervat (voor gevallen dat letsel of de dood het gevolg is). Wat zou daar tegen zijn?

De demonstraties tegen politiegeweld van de laatste tijd betroffen geweld dat de dood tot gevolg had. Onrechtmatig politiegeweld tegen verdachten of tegen demonstranten kan zich ook voordoen wanneer een geweldsaanwending plaatsvindt die niet voldoet aan de geweldsinstructie maar daarbij géén lichamelijk letsel wordt veroorzaakt. Een politieman kan zijn knie op de keel zetten van een zestienjarige scholiere die aan een demonstatie deelneemt, die daaraan geen lichamelijk letsel overhoudt maar die daardoor wel (zwaar) psychisch getraumatiseerd is geraakt.

Als blijkt dat de politieman daarbij de voor hem geldende geweldsinstructie heeft geschonden, valt zijn handelwijze dan onder het in artikel 372 Sr omschreven strafbare feit? Zo ja, op welke gronden concludeert de regering dat dan? Zo nee, is de regering het dan met de fractie van de PvdD eens dat in artikel 372, ten eerste “enig lichamelijk letsel” zou moeten worden vervangen door “enig letsel”? Is de regering bereid om een zodanige wijziging voor te stellen? Zo nee, waarom niet? Hoe valt aan burgers uit te leggen dat onrechtmatige geweldsuitoefening door politiemannen niet strafbaar is als niet kan worden aangetoond dat er lichamelijk letsel is toegebracht? Kan de regering daarop gemotiveerd ingaan? Kan de strafbaarstelling in artikel 372 Sr leiden tot bestraffing van racistisch optreden bij geweldtoepassing.? Zo ja, op grond van welke redenering komt de regering tot die conclusie. Zo nee, dient de Ambtsinstructie dan niet zodanig te worden aangevuld dat eventueel racistisch optreden bij geweldtoepassing kan worden voorkomen? Als die aanvulling niet nodig wordt geacht, welke strafrechtelijke sanctionering kan dan worden toegepast als blijkt dat bij geweldtoepassing racistisch is opgetreden?

Uit de Memorie van Antwoord blijkt dat de normering van andere gewelduitoefening dan die welke in de Ambtsinstructie is geregeld, gevonden moet worden in artikel 7 Politiewet. Dat gaat dus op voor alle andere gewelduitoefening dan die door middel van vuurwapens, niet-penetrerende munitie, pepperspray, CS-traangas, waterwerper, politiesurveillancehond, AOT-hond en elektrische wapenstok. Bovendien is de normering in de Ambtsinstructie slechts de ‘ondergrens’ zodat ook bij de toepassing van de daarin geregelde middelen de rechtmatigheid van de geweldaanwending uiteindelijk afhangt van een toetsing aan de beginselen die in artikel 7 Politiewet zijn vervat. Artikel 7 Politiewet staat dus telkens centraal.

Wat zou het voor de eventuele bestraffing van de politieman in verhouding tot de huidige rechtspraak uitmaken als het voorgestelde tweede lid van artikel 42 Sr geen wet zou worden? Is het juist dat een toetsing aan de beginselen die in artikel 7 Politiewet zijn vervat, in de huidige rechtspraak voor de rechter al voldoende grondslag biedt om een politieman die overeenkomstig zijn geweldsinstructie heeft gehandeld, niet strafrechtelijke te veroordelen? Kan de regering daar gemotiveerd op ingaan? In hoeverre is de voorgestelde wetswijziging ingegeven door de wens om politieambtenaren meer ruimte te geven tot het in de praktijk toepassen van geweld? Hoe oordeelt de regering in dat verband over de passage in het advies van de Raad van State luidende: “Van de opsporingsambtenaar wordt verwacht dat hij in voorkomende gevallen geweld gebruikt. Wanneer vervolgens een strafechtelijk onderzoek wordt ingesteld is dat ingrijpend. Voor de betrokkene brengt dat onzekerheid met zich mee. Deze onzekerheid kan impact hebben op het gebruik van geweld door de opsporingsambtenaren in gevallen waarin geweldgebruik juist geboden is.” Kan de regering een overzicht verstrekken van gevallen waarin is vastgesteld dat is afgezien van het gebruiken van ‘toegestaan’ geweld op grond van het enkele feit dat de betrokken ambtenaar bang was voor het risico dat hij later strafrechtelijk zou worden vervolgd wegens onjuist geweldgebruik? Waarom zouden onzekerheidsgevoelens bij ambtenaren over mogelijke gevolgen van hun wijze van behandeling van burgers een grondslag mogen opleveren voor het creëren van een strafuitsluitingsgrond en een bijzondere wijze van onderzoek van hun gedragingen die minder ver gaat dan die bij strafrechtelijk optreden? Is de regering het met de fractie van de PvdD eens dat juist in het licht van de specifieke positie van ambtenaren die geweld mogen aanwenden niet alleen bij arrestaties maar ook bij optreden tegen kwetsbare burgers die bij demonstaties met politiegeweld te maken krijgen, het ongewenst is een strafuitsluitingsgrond voor zulke ambtenaren in de wet op te nemen terwijl die ambtenaren in het huidige recht al voldoende beschermd zijn tegen een eventuele strafrechtelijke veroordeling wanneer de rechter vaststelt dat zij hun geweld rechtmatig hebben uitgeoefend?