Vragen van Nicolaï (PvdD) over steun­pakket cultuur­sector


Indiendatum: mei 2020


Op 15 april jl. kondigde de minister van OCW het steunpakket voor de culturele en creatieve sector aan. In totaal gaat het om een bedrag van 300 miljoen euro. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dit bedrag te laag voor een sector die zo belangrijk is voor de samenleving, en hebben de volgende vragen.

Het steunpakket van 300 miljoen wordt ingezet op vier manieren:

1. Het ophogen van de subsidies voor instellingen in de culturele basisinfrastructuur en voor instellingen en festivals die meerjarig worden ondersteund door de zes rijkscultuurfondsen.

2. Het verhogen van bestaande leenfaciliteiten bij het Nationaal Restauratiefonds voor rijksmonumenten.

3. Budget voor de zes rijkscultuurfondsen (Fonds Podiumkunsten, Mondriaan Fonds, Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Filmfonds, Nederlands Letterenfonds en Fonds voor Cultuurparticipatie) voor ondersteuning van cruciale instellingen in de keten die vooral in regio’s en steden de culturele infrastructuur dragen, zoals belangrijke gemeentelijke en provinciale musea, (pop-)podia en filmtheaters.

4. Het verhogen van leenfaciliteiten bij Cultuur + Ondernemen zodat cruciale private partijen in de keten, zoals vrije theaterproducenten, commerciële festivals en kunstgaleries, bij Cultuur+Ondernemen terecht kunnen.

Wat daarbij opvalt is dat er alleen steun is voor grote instellingen, die bovendien toch al afhankelijk waren van subsidie. Verder wordt het tijdelijk eenvoudiger om te lenen. Voor onafhankelijke organisaties en kleinere podia is geen steun beschikbaar. Voor de freelance dansers, acteurs, musici, kostuumontwerpers, grimeurs, producenten, technici en al die andere freelancers die de basis vormen van de culturele wereld geldt dat zij TOZO moeten aanvragen. Dit terwijl hun sector onevenredig hard is getroffen. Het is nog maar de vraag of festivals, muziekpodia, theaters of bioscopen ooit weer rendabel kunnen worden.

In vergelijking met de reddingsactie van 400 miljoen euro voor scheepsbouwer IHC dat al sinds 2016 verlies lijdt, de 2 tot 4 miljard voor KLM en 600 miljoen voor de sierteeltsector, is de steun voor de culturele en creatieve sector een lachertje volgens de leden van de PvdD-fractie.

Bij de reddingsacties van de vervuilende IHC, sierteeltsector en KLM wordt steeds gehamerd op het belang van de economie en de werkgelegenheid voor Nederland. Toch draagt ook de culturele en creatieve sector ruimschoots bij aan het Nederlands BBP en werkgelegenheid. Uit onderzoek van het CBS blijkt de bijdrage van cultuur en media aan de Nederlandse economie 3,7 procent te bedragen. Dit gaat gepaard met een aandeel van 4,5 procent in de totale werkgelegenheid. De arbeidsinzet voor deze productie was 320 duizend arbeidsjaren, 4,5 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland. De bijdrage van cultuur en media aan het BBP is hiermee iets kleiner dan die van de bouwnijverheid (4,1 procent) maar ruim tweemaal zo groot als die van landbouw, bosbouw en visserij (1,6 procent)[1]. Los nog daarvan heeft cultuur volgens de leden van de fractie van zichzelf waarde, zeker in deze corona-tijd, waarin we steun zoeken in muziek, beeld en woord, en bij cultuur inspiratie en creativiteit vinden over hoe om te gaan met alle veranderingen. De kunst ervaren en beoefenen leert ons omgaan met de “twijfelruimte”, en de corona-crisis laat zien hoezeer wij dat verleerd zijn. “Kunstenaars, musici en verhalenvertellers weten hoe je omgaat met het onbekende. Het niet-weten is voor hen bekend terrein”, aldus Merlijn Twaalfhoven in NRC van 28/29 maart 2020. Die boodschap dient onze minister aan haar collega-bewindslieden mee te geven om het belang van de culturele sector te onderstrepen, nu en in het post-coronatijdperk

In het Kamerdebat van 28 april erkende de minister dat 300 miljoen “natuurlijk niet” voldoende is, maar puur is bedoeld als eerste tranche voor de eerste drie maanden tot 1 juni. Zij ging er daarbij van uit dat gemeenten goed zouden kunnen aangeven waar de behoeftes lagen. Die hebben dat vervolgens gedaan. De wethouders van cultuur van de vier grote steden roepen het Rijk in een open brief in de Volkskrant[2] op om meer geld vrij te maken voor de cultuursector. Volgens de vier wethouders is de 300 miljoen euro die nu is uitgetrokken niet voldoende. Touria Meliani (Amsterdam), Said Kasmi (Rotterdam), Robert van Asten (Den Haag) en Anke Klein (Utrecht) schrijven in de brief dat de reserves van de cultuursector opbranden: "Analyses van de gevolgen voor de culturele sector in de vier grote steden laten een verlies zien van 114 miljoen euro tot 1 juli 2020. Voor ons als cultuurwethouders van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht staat vast dat we niets willen afbreken wat we later met veel extra kosten weer moeten opbouwen. Het is ontzettend belangrijk dat het culturele leven na de coronacrisis weer kan bloeien en groeien."

Volgens de wethouders is de cultuursector noodzakelijk voor "verbeelding, vernieuwing, vooruitgang, vitaliteit en leefbaarheid".

Acht de minister de verhouding tussen steunbedragen voor ondernemingen en voor andere sectoren (zoals bijvoorbeeld scheepsbouw, KLM, sierteelt) aan de ene kant en die voor de culturele sector aan de andere kant te verdedigen, mede in het licht van de bijdrage van de culturele sector aan het BBP en de werkgelegenheid?

Is de minister het met de fractie eens dat in deze tijd van bezinning en verbeelding juist blijkt hoe belangrijk cultuur is, en dat het besef dient door te breken dat naar de culturele sector structureel – dus nog los van de corona-perikelen – meer belastinggeld dient te gaan?

Waarom is er voor de kleinere podia en onafhankelijke gezelschappen niet in gerichte steun voorzien? Is de minister ervan overtuigd dat met de TOZO-regeling voldoende financiële steun wordt geboden aan freelancers in de culturele sector, en zo ja, op welke gegevens baseert zij zich daarbij?

Hoe gaat de minister tegemoet komen aan de zorgen van de gemeenten zoals geuit door de vier wethouders van de grote gemeenten in de open brief? Wat zijn de plannen voor steun aan de culturele en creatieve sector na 1 juni? En hoe komt zij tegemoet aan sectoren die niet meer rendabel kunnen opereren tijdens ‘het nieuwe normaal’ (dans-, muziek- en filmfestivals, muziekpodia, theaters en bioscopen)?

Hoe oordeelt de minister over het voorstel van Tinkebell (zie Het Parool van 5 mei 2020) om het ‘investeren’ in kunst fiscaal aantrekkelijk te maken? Hoe oordeelt de minister over het pleidooi van Renée Steenbergen (NRC 30 april 2020) om een steunfonds voor de cultuur op te richten, waaraan overheden, fondsen en bedrijven eensgezind bijdragen? En hoe gaat zij uitvoering geven aan de op 28 april aangenomen motie van Van Raan (Tweede Kamer PvdD) waarin de regering wordt opgeroepen “alles op alles” te zetten om de cultuursector te redden?

[1] https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/29/bijdrage-cultuur-en-media-aan-economie-3-7-procent?fbclid=IwAR2pfL6ZNdOtb9bcrs_bjdXqLhJ09qlG3FTRjhz4S5D1mtE2QB_r8UplZ98

[2] https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/grote-steden-kunnen-kunst-niet-alleen-redden-het-rijk-moet-bijspringen~bab46697/