Vragen van Nicolaï (PvdD) over juri­dische grond­slagen nood­ver­or­de­ningen COVID-19


Indiendatum: 26 mei 2020

Inbreng voor het nader schriftelijk overleg over (nood)maatregelen COVID-19 van de fracties van PvdD, mede namens PvdA, SP, 50plus, OSF, GO en FvD

Deze Leden danken de regering voor de antwoorden, neergelegd in de brief van de ministers van VWS en J&V van 18 mei 2020 op hun vragen. Wel spreken zij hierbij hun teleurstelling uit over wijze waarop de antwoorden zijn gegeven. De antwoorden hebben in het licht van de urgentie van de vragen lang op zich laten wachten en zijn vervolgens zeer summier beantwoord. Dit maakt dat deze Leden behoefte hebben aan onderstaande vervolgvragen. Zij vragen de regering wederom vanwege de urgentie om een spoedige beantwoording, uiterlijk binnen twee weken en in ieder geval uiterlijk een week voordat de Eerste Kamer de door de minister aangekondigde tijdelijke wet ter beoordeling wordt aangeboden.

1. De Minister van VWS schrijft in zijn brief van 18 mei 2020 dat “een deel van de maatregelen is vertaald in noodverordeningen”. Die noodverordeningen houden algemeen verbindende voorschriften in als bedoeld in artikel 176, eerste lid van de Gemeentewet. Wettelijke verplichtingen gelden slechts nadat zij op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt.

Is het juist dat veel van de noodverordeningen niet bekend zijn gemaakt via publicatie op de website ‘officiële bekendmakingen’? Zo ja, is de regering bereid om het ertoe te leiden dat alle noodverordeningen worden bekend gemaakt via de website ‘officiële bekendmakingen’?

2. Op de website van de Rijksoverheid zijn “De Nederlandse maatregelen: basisregelen voor iedereen” gepubliceerd. Op dit moment staat daarin met betrekking tot bezoek aan verpleeghuizen vermeld: “Op 1 locatie per GGD-regio wordt bezoek aan verpleeghuizen beperkt en onder strenge voorwaarden toegelaten”

Deelt de regering de mening van de Leden dat als er dwingende regels door de overheid worden gepubliceerd deze dienen overeen te stemmen met wat er in de noodverordeningen is bepaald? Deelt de regering het oordeel van de Raad van State in haar voorlichting W04.20.0139/1/Vo over de grondwettelijke aspecten van (voor)genomen crisismaatregelen dat het bezoek in verpleeghuizen van overheidswege in de heden geldende noodverordeningen niet (meer) is verboden of wettelijk aan voorwaarden is verbonden, maar geheel is overgelaten aan een regeling door de beheerder van het verpleeghuis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in welke regeling is dan – zoals op de website van de Rijksoverheid wordt vermeld – “het bezoek aan verpleeghuizen beperkt en onder strenge voorwaarden toegelaten.” Indien het oordeel van de Raad van State juist is, acht de regering het dan juist dat in haar publicatie wordt gesuggereerd dat er een beperking van bezoek is voorgeschreven?

3. Een aantal fracties binnen de commissie J&V van de Eerste Kamer heeft gevraagd om een overzicht van de voorschriften die op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt en derhalve als algemeen verbindende voorschriften gelden.

In de brief van 18 mei 2020 wordt verwezen naar websites waarop de inhoud van maatregelen is te vinden; informatie over welke verordeningen op welke wijze en op welke datum zijn gepubliceerd ontbreekt.

Deelt de regering de mening van deze Leden dat het voor uitoefening van de parlementaire controle noodzakelijk is dat de Kamer beschikt over een totaal overzicht van alle her en der bekendgemaakte noodverordeningen? Is de regering bereid om alsnog het door deze Leden verlangde overzicht van geldende voorschriften te verschaffen en dat overzicht te actualiseren indien een noodverordening of een deel daarvan door de betreffende voorzitter van de veiligheidsregio wordt gewijzigd of ingetrokken?

4. Blijkens de considerans van de noodverordeningen worden deze vastgesteld met inachtneming van aanwijzingen die mede namens de minister van J&V zijn gegeven. Is door de minister van J&V telkens nagegaan of artikel 7 van de Wet publieke gezondheid en/of artikel 176, eerste lid, van de Gemeentewet voldoende wettelijke grondslag bood voor het vaststellen van verplichtingen of verboden die zijn opgenomen in de (model)noodverordening die de voorzitters van de veiligheidsregio’s in beginsel worden geacht te volgen? Zo ja, zijn er gevallen geweest waarin de minister twijfelde of er voldoende wettelijke grondslag aanwezig was? Zo nee, waarom heeft de minister die toets niet uitgevoerd?

5. Artikel 7 van de Wet publieke gezondheid biedt een grondslag voor het opdragen aan de voorzitter van de veiligheidsregio tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V van die wet.

Is de regering nagegaan of de voorschriften in de noodverordeningen die betrekking hebben op het voorschrijven en verbieden van gedragingen vallen onder de reikwijdte van de maatregelen bedoeld in hoofdstuk V van de Wet publieke gezondheid? Kan de regering bij monde van de verantwoordelijke minister per artikel van de noodverordeningen die nu gelden en de noodverordeningen die daarvoor golden, aangeven of en zo ja op welke grond het daarin vervatte voorschrift valt onder de reikwijdte van de maatregelen bedoeld in hoofdstuk V van de Wet publieke gezondheid?

6. Zijn er voorschriften in de noodverordeningen die nu gelden en de noodverordeningen die daarvoor golden, die uitsluitend gegrond zijn op artikel 176, eerste lid Gemeentewet welke bepaling het mogelijk maakt “ter beperking van gevaar” algemeen verbindende voorschriften te geven? Deelt de regering de mening van de Leden dat met ‘gevaar’ bedoeld wordt ‘gevaar voor het publiek in het algemeen’ en niet van een of meer concrete personen? Zo nee, waarom niet?

Zijn er in noodverordeningen bij nader inzien verplichtingen of verboden opgenomen die op gespannen voet staan met grondrechten? Hoe oordeelt de regering in dat verband over het verbieden van familiebijeenkomsten in de huiselijke sfeer? Deelt de regering het oordeel van de Raad van State op dat punt in haar voorlichting W04.20.0139/1/Vo over de grondwettelijke aspecten van (voor)genomen crisismaatregelen? Is het niet aannemelijk dat de in artikel 176 Gemeentewet vervatte bevoegdheid bedoeld is voor gevallen waarin zich plotseling, acuut en incidenteel een situatie voordoet dat maatregelen moeten worden getroffen ter handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar voor het publiek en niet voor een situatie die zich maanden voordoet? Zo ja, waarom heeft het zo lang geduurd voordat een wetsvoorstel aan het Parlement wordt aangeboden dat voorziet in de tijdelijke wetgeving die de minister J&V aankondigt in zijn brief van 1 mei 2020? Zo nee, op grond van welke argumenten acht de minister het in overeenstemming met artikel 176 Gemeentewet en met de in de Grondwet gewaarborgde grondrechten dat vier maanden lang (aangenomen dat de door de minister aangekondigde tijdelijke wetgeving al per 1 juli zal aan gelden) het maatschappelijk leven grotendeels is stilgelegd op grond van noodverordeningen? Wat is er bij de wetsbehandeling van artikel 176 van de Gemeentewet en de Wet publieke gezondheid opgemerkt over de duur van de geldigheid van de op deze wetgeving gebaseerde noodverordeningen?

7. Is de regering of een minister bevoegd om een bindende aanwijzing te geven aan de voorzitter van een veiligheidsregio over de inhoud van een door deze vast te stellen noodverordening? Zo ja, op grond van welke bepaling bestaat die bevoegdheid? Zo nee, staat het ontbreken van zo’n bevoegdheid in de weg aan het voldoen aan de beginselen van rechtseenheid en rechtszekerheid? Is het voorgekomen en zo ja, in hoeveel gevallen, dat een voorzitter van een veiligheidsregio een noodverordening heeft vastgesteld die afweek van de (model)noodverordening? Welke juridische instrumenten heeft de regering of een minister om in te grijpen indien in een bepaalde veiligheidsrisico in afwijking van de (model)noodverordening maatregelen ter bestrijding van de pandemie worden vastgesteld die minder verstrekkend zijn dan in aangrenzende veiligheidsregio’s? Is er een wettelijke bevoegdheid om verkeer van personen tussen verschillende veiligheidsregio’s te beperken indien dit uit een oogpunt van het bestrijden van de pandemie noodzakelijk wordt geacht? Zo ja, op grond van wettelijke regeling is dat dan mogelijk? Zo nee, achten de ministers dat dan een onwenselijk hiaat?

8. De noodverordeningen zijn tot stand gekomen op aanwijzing van de minister van VWS die daartoe bevoegd is op grond van artikel 7 van de Wet publieke gezondheid. Waarom heeft de regering die besluiten van de minister van VWS alsmede de model-noodverordeningen niet telkens aan het parlement gezonden, zodat de Tweede en Eerste Kamer parlementaire controle konden uitoefenen op de inhoud van de voorschriften die – behoudens afwijkingsbevoegdheid die aan de voorzitter van een veiligheidsregio werd gelaten - landelijk gelding kregen? Deelt de regering de mening van de Leden dat daarmee aan de werking van de parlementaire democratie onnodig tekort is gedaan? Is de regering bereid voortaan over de aanwijzingsbesluiten en de modelnoodverordeningen met het parlement overleg te voeren?

9. Welke democratische controle kan worden uitgeoefend op de totstandkoming van de noodverordeningen die door de voorzitters van de veiligheidsregio’s worden vastgesteld? Acht de regering het verantwoord dat gemeenteraden gedurende vier maanden geen invloed hebben kunnen uitoefenen op de inhoud van voorschriften die een vergaande inbreuk meebrachten op (grond)rechten en belangen van in hun gemeenten wonende personen of gevestigde ondernemingen en instellingen? Welke middelen kan een gemeente hanteren indien een meerderheid in de gemeenteraad wijziging van één van de voorschriften in een noodverordening wenselijk acht? Kan de burgermeester van zo’n gemeente ter verantwoording worden geroepen voor zijn medewerking aan de totstandkoming van de betreffende noodverordening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is dat gebeurd?

10. In artikel 3.1, eerste lid, onder c van de noodverordeningen is voorzien in de bevoegdheid van de voorzitter van de veiligheidsregio om vrijstelling of ontheffing te geven van de voorschriften. Zijn er gevallen bekend waarin belanghebbenden een aanvraag voor zo’n vrijstelling of ontheffing hebben ingediend? Deelt de regering de mening van deze Leden dat zowel door de slechte kenbaarheid van de noodverordeningen als door het ontbreken van overheidsinformatie over de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag van een vrijstelling of ontheffing, burgers en ondernemers in hun belangen (kunnen) zijn geschaad? Waarom is in artikel 3.1 niet een verplichting opgenomen voor het bestuursorgaan om zo spoedig mogelijk op een aanvraag voor een vrijstelling of ontheffing te beslissen? Deelt de regering de mening van deze Leden dat het toepassen van de gebruikelijke in de Algemene wet bestuursrecht voorziene beslistermijn (acht weken) zou meebrengen dat de in artikel 3.1 vervatte bevoegdheid tot ontheffing of vrijstelling voor belanghebbenden een dode letter zou zijn? Is de minister bereid het ertoe te leiden dat meer bekendheid wordt gegeven aan die bevoegdheid en dat op aanvragen op heel korte termijn dient te worden beslist?