Vragen van Nicolaï (PvdD) over corona-app


Twijfels over meer­waarde van corona-app en zorgen over test­ca­pa­citeit

Indiendatum: 15 sep. 2020

1. In de Nota naar aanleiding van het verslag TK 2019-2020, 35538, nr. 10 (hierna: Nota naar aanleiding van het verslag TK) wordt bij beantwoording van vraag 1 opgemerkt: “Coronamelder kan ook al nuttig zijn al er geen sprake is van uitbreiding van testcapaciteit. Mensen kunnen immers dan kiezen om, bijvoorbeeld, contacten met kwetsbare personen tijdelijk te mijden. Ook dat zorgt voor het doorbreken van ketens van besmetting”. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Acht de minister het wenselijk dat personen die een notificatie krijgen, vanaf dat moment contacten met kwetsbare personen mijden?

Vraag 2 Wat bedoelt de minister met kwetsbare personen?

Vraag 3 Als met kwetsbare personen bedoeld wordt ouderen of andere personen die mogelijk meer moeite hebben om eventuele besmetting goed te doorstaan, waarom zou het mijden van die personen terwijl andere personen niet worden gemeden, leiden tot “het doorbreken van ketens van besmetting”?

Vraag 4 Acht de minister het wenselijk dat personen die de notificatie krijgen vanaf dat moment contacten met andere personen zoveel mogelijk mijden? Zo ja, op welke grond? Zo nee, welk gedrag wordt dan van de persoon verwacht?

2. Is uit onderzoek gebleken welke gedragsverandering is te verwachten van personen die de notificatie krijgen als deze niet een oproep omvat om zich te laten testen? Zo ja, welke gedragsverandering is volgens dat onderzoek te verwachten en op welke redenering en gegevens is die verwachting gebouwd?

3. Een notificatie kan worden ontvangen door een persoon die géén van de symptomen heeft die met Covid-19 in verband kunnen worden gebracht en die niet een test heeft ondergaan waaruit blijkt dat hij besmet is. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Is uit onderzoek gebleken onder welke omstandigheden zo’n persoon een gedragsverandering, en zo ja welke, zal ondergaan die van belang is om “ketens van besmetting te doorbreken”?

Vraag 2 Indien zo’n persoon contact opneemt met de GGD en in dat contact blijkt dat hij geen symptomen heeft, in welke gevallen wordt hem dan aangeraden zich te laten testen?

Vraag 3 In welke gevallen wordt aan zo’n persoon, indien hij zich nog niet heeft laten testen in de periode waarin hij blijkens de notificatie in aanraking is geweest met een besmet persoon en hij geen symptomen heeft, niet gevraagd zich te laten testen?

Vraag 4 Acht de minister het aanvaardbaar dat aan zo’n persoon, indien hij zich nog niet heeft laten testen in de periode waarin hij blijkens de notificatie in aanraking is geweest met een besmet persoon en hij geen symptomen heeft, niet gevraagd wordt zich te laten testen?

4. De Wet publieke gezondheid gaat in artikel 22 ervan uit dat bij een vermoeden dat een persoon lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep A, een melding dient plaats te vinden aan de GGD. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Indien een persoon die via de Coronamelder een notificatie heeft gehad, contact opneemt met de GGD, op welk moment is er dan sprake van een vermoeden als bedoeld in artikel 22 dat de betrokkene zou kunnen lijden aan Covid-19?

Vraag 2 Indien de betreffende persoon meldt dat hij één van de bij Covid-19 behorende symptomen heeft, is dat dan voldoende voor een vermoeden als bedoeld in artikel 22 dat de betrokkene mogelijk lijdt aan Covid-19? Zo nee, waarom niet?

Vraag 3 Indien de betreffende persoon meldt dat hij één van de bij Covid-19 behorende symptomen heeft, acht de minister het dan verantwoord dat die persoon weigert zich te laten testen?

Vraag 4 Indien de minister dat niet verantwoord acht, kan dan op grond van de Wet publieke gezondheid een bevoegdheid worden aangewend om de betrokkene te verplichten zich te laten testen? Zo ja, aan welke wetsbepaling wordt die bevoegdheid ontleend?

Vraag 5 Voorziet de Tijdelijke Wet maatregelen covid-19 in een in de vorige vraag bedoelde bevoegdheid? Zo ja, aan welke wetsbepaling wordt die bevoegdheid ontleend?

Vraag 6 Indien de Wet publieke gezondheid ook niet na wijziging daarvan door de Tijdelijke Wet maatregelen Covid-19, niet in de vorige vragen bedoelde bevoegdheid voorziet, acht de minister het dan wenselijk dat de wet op dat punt wordt aangevuld?

Vraag 7 Indien een persoon die naar aanleiding van de notificatie de GGD meldt dat hij één van de bij Covid-19 behorende symptomen heeft maar dat hij niet bereid is zich te laten testen, wettelijk kan worden verplicht zich te laten testen, wordt die informatie dan verstrekt aan degenen die de Coronamelder hebben gedownload of overwegen dat te doen?

5. Naar aanleiding van een notificatie zullen personen contact opnemen met de GGD. Verondersteld wordt dat zij – al dan niet daartoe bevraagd door de GGD - in dat contact informatie verschaffen over symptomen die bij Covid-19 behoren, indien zij die hebben. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Indien de betrokkene meldt dat hij één van de symptomen heeft die bij Covid-19 horen, wordt zo’n melding dan voor de toepassing van artikel 27 Wet publieke gezondheid op één lijn gesteld met de melding als bedoeld in artikel 22, eerste lid van die wet?

Vraag 2 Indien de betrokkene bereid is een test te ondergaan, en deze test wordt door de GGD uitgevoerd en leidt tot de vaststelling dat de betrokkene lijdt aan Covid-19, wordt dan die vaststelling op één lijn gesteld met de melding als bedoeld in artikel 22, eerste lid van die wet?

Vraag 3 Indien de voorgaande vragen ontkennend worden beantwoord, waar is dan wettelijk geregeld dat de GGD verplicht is tot de in artikel 27 en 28 van de Wet publieke gezondheidszorg bedoelde meldingen wanneer op basis van informatie van de betrokkene of van een test het vermoeden bestaat of is vastgesteld dat hij lijdt aan Covid-19?

6. In artikel 31, eerste lid Wet publieke gezondheidszorg zijn de voorwaarden opgenomen die grond opleveren voor ‘isolatie’ van een persoon van wie is vastgesteld dat hij lijdt aan Covid-19 of ten aanzien van wie het gegronde vermoeden daarvan bestaat. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Indien een persoon naar aanleiding van de notificatie contact heeft opgenomen met de GGD, zich heeft laten testen en gebleken is dat de betrokkene lijdt aan Covid-19, is volgens de minister dan met betrekking tot die persoon voldaan aan de in artikel 31, eerste lid Wet publieke gezondheidszorg genoemde voorwaarden?

Vraag 2 Indien een persoon naar aanleiding van de notificatie contact heeft opgenomen met de GGD en heeft aangegeven één of meer symptomen te hebben van Covid-19 maar zich niet heeft laten testen, is volgens de minister dan met betrekking tot die persoon voldaan aan de in artikel 31, eerste lid Wet publieke gezondheidszorg genoemde voorwaarden?

Vraag 3 Is de betrouwbaarheid van de testen die op dit moment worden uitgevoerd, volgens de minister voldoende om te concluderen dat bij een positief testresultaat is voldaan aan voorwaarde a in het eerste lid van artikel 31 Wet publieke gezondheid?

Vraag 4 Is de minister voornemens om een aanwijzing te geven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s tot toepassing van de in artikel 31, eerste lid Wet publieke gezondheidszorg toegekende bevoegdheid met betrekking tot een persoon die naar aanleiding van de notificatie contact heeft opgenomen met de GGD en heeft aangegeven één of meer symptomen te hebben van Covid-19? Zo nee, waarom niet?

Vraag 5 Is de minister voornemens om een aanwijzing te geven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s tot toepassing van de in artikel 31, eerste lid Wet publieke gezondheidszorg toegekende bevoegdheid met betrekking tot een persoon die naar aanleiding van de notificatie contact heeft opgenomen met de GGD, zich heeft laten testen en ten aanzien van wie gebleken is dat de betrokkene lijdt aan Covid-19? Zo nee, waarom niet?

7. In de antwoorden op de vragen 22 en 24 in de Nota naar aanleiding van het verslag TK heeft de minister wat betreft de toename van de behoefte aan Covid -19 PCR-tests erkend dat “hogere aantallen mogelijk (zijn)” dan die van het minimale scenario (toename 0,2%). De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Is het juist dat het aantal besmettingen op dit moment toeneemt zodat er sprake is van “hogere incidentie” zoals in het antwoord verwoord?

Vraag 2 Is het juist dat de 0,2% toename die door de RIVM berekend was, niet uit ging van de ‘hogere incidentie’ zie zich nu voordoet?

Vraag 3 Wat is op dit moment, gegeven de toename van het aantal besmettingen en uitgevoerde testen, de verwachting van de toename van de behoefte aan testen en op welke objectieve gegevens is die gebaseerd?

Vraag 4 Hoe wordt gecontroleerd of iemand die een test aanvraagt en die stelt één of meer symptomen van Covid-19 te hebben, werkelijk die symptomen heeft en levert die controle een betrouwbaar resultaat op?

Vraag 5 Is op dit moment de testcapaciteit voldoende om te kunnen voldoen aan de vraag naar testen indien de Coronamelder door een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking wordt gebruikt? Op welke objectieve gegevens baseert de minister zich bij beantwoording van deze vraag?

Vraag 6 Acht de minister het verantwoord om – gegeven de beperkte test-capaciteit – het advies te geven aan een ieder die een notificatie ontvangt, om zich te laten testen?

8. In het antwoord op vraag 34 in de Nota naar aanleiding van het verslag TK stelt de minister dat de toegevoegde waarde van de Coronamelder is dat degenen die de notificatie krijgen “zichzelf en ook anderen (kunnen) beschermen tegen verspreiding van het virus”. Kan de minister een voorbeeld geven dat de betrokkene zichzelf kan beschermen tegen verspreiding van het virus en een voorbeeld dat hij anderen daartegen kan beschermen door handelingen die de betrokkene niet zou hebben verricht indien geen notificatie zou zijn ontvangen?

9. In het antwoord op vraag 117 in de Nota naar aanleiding van het verslag TK stelt de minister “Het advies van de AP heb ik goed bestudeerd en ik heb aanvullende maatregelen genomen. Of de AP nog steeds zorgen heeft op dit punt kan ik nog niet beantwoorden. Ik heb de afspraken en nadere uitleg aan de AP voorgelegd”.

Kan de minister de Eerste Kamer inmiddels informeren over het nadere oordeel van de AP?

10. Het is onbestreden dat de effectiviteit van de Coronamelder mede afhangt van hoeveel mensen de app gebruiken. De minister beroept zich op een onderzoek van de Universiteit van Oxford waaruit blijkt dat ook bij lagere adoptiegraden het gebruik van de Coronamelder “kan bijdragen aan het vertragen van de verspreiding van het virus”. Bij de technische briefing van de Eerste Kamer werd gezegd dat er ook bij een adoptiegraad tussen de 10% en 20% al een ‘merkbaar resultaat’ was. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Is de minister het met de fractie van de PvdD eens dat met het oog op de eis van proportionaliteit waaraan een invoering van de Coronamelder rechtens moet voldoen, het van belang is om te bepalen welke adoptiegraad minimaal moet worden behaald om de inbreuken op de vrijheidsrechten en belangen van burgers die verbonden zijn aan het gebruik van de Coronamelder te kunnen rechtvaardigen?

Vraag 2 Hoe ‘merkbaar’ moet volgens de minister het resultaat zijn, wil er sprake zijn van een effectief middel?

Vraag 3 Bij welke adoptiegraad is volgens de minister bereikt dat er sprake is van een ‘effectief’ middel?

Vraag 4 Bij welke adoptiegraad is objectief aantoonbaar dat aan het “bijdragen aan het vertragen van de verspreiding van het virus” zodanig gewicht toekomt, dat – aangenomen dat de betrouwbaarheid van de Coronamelder voldoende zou zijn – de invoering van de Coronamelder voldoet aan de eis van proportionaliteit?

11. Op pagina 11 van de Ethische analyse van de COVId-19 notificatie-app (14 juli 2020) wordt het volgende opgemerkt: “De app vraagt wel specifiek toestemming aan een geïnfecteerd persoon voor het delen van zijn/haar contactcodes met andere app gebruikers, zodat ze op hun app een notificatie kunnen krijgen indien ze met de geïnfecteerde persoon relevant contact hebben gehad. Ook hier is het vragen van consent niet vereist onder de AVG omdat er voor de dataverwerking via de app een wettelijke grondslag bestaat”. Is die conclusie juist?

12. Tijdens de technische briefing aan de Eerste Kamer is medegedeeld dat een zogeheten ‘pauzeknop’ op dit moment niet is ingebouwd in de app en dat er geen garantie bestaat dat dit alsnog zal gebeuren. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Betekent dit dat bijvoorbeeld ambtenaren van de sociale dienst, van de dienst burgerzaken of van een afdeling vergunningen die achter een scherm met personen gesprekken voeren die langer duren dan 15 minuten, of werknemers van particuliere bedrijven die vergelijkbare contacten hebben, hun app niet kunnen ’uitzetten’ tijdens hun werk?

Vraag 2 Als de app niet uitgezet is, worden dan de contacten die hebben plaatsgevonden tussen personen die door een scherm gescheiden zijn maar die wel binnen de 1,5 meter hebben plaatsgevonden, ‘meegenomen’ in het notificatie-proces?

Vraag 3 Als de vorige vraag bevestigend is beantwoord, hoe betrouwbaar is dan de notificatie met betrekking tot de vraag of de betrokkene in contact is geweest met een besmet persoon?

Vraag 4 Volgens het rapport van de ethische commissie geldt als ‘eis’ in het kader van de ‘vrijwilligheid’ dat de app de mogelijkheid heeft om deze te kunnen uitschakelen zonder dat deze gedeïnstalleerd behoeft te worden. Is het juist dat niet aan die eis wordt voldaan?

Vraag 5 Is de minister bereid de invoering uit te stellen tot het moment waarop alsnog aan die eis is voldaan?

13. De fractie van de PvdD maakt zich zorgen over sociale impact van de invoering van de Coronamelder met het oog op het sluipenderwijs gewend laten worden van burgers aan een surveillancemaatschappij. De hierna gestelde vragen zijn genummerd met het verzoek om in de beantwoording telkens op de genummerde vraag in te gaan en niet een algemeen antwoord te geven op alle vragen in hun totaliteit.

Vraag 1 Op welke wijze is die sociale impact voorafgaande aan de invoering onderzocht en wat waren de resultaten van dat onderzoek?

Vraag 2 Hoe wordt voldaan aan de eis die de Ethische commissie heeft geformuleerd inhoudende: “De overheid dient de sociale impact van de app zorgvuldig te monitoren”

Vraag 3 Welke gegevens in het kader van de motinoring over de sociale impact zullen aanleiding kunnen vormen voor het uit gebruik nemen van de Cornonamelder ?