Vragen van Nicolaï (PvdD) aan MinVWS over coronapas en naleving quaran­tai­ne­beleid voor inrei­zigers uit risi­co­ge­bieden


Indiendatum: 5 okt. 2021

Verzocht wordt de (deel)vragen afzonderlijk en niet gecombineerd met andere vragen of vragen van andere fracties te beantwoorden.

Vraag 1

In artikel 58ra, tweede lid onder a van de Wpg is bepaald dat een vaccinatiebewijs slechts als coronatoegangsbewijs mag worden aangemerkt als op basis daarvan “kan worden vastgesteld dat een vergelijkbare kans op overdracht van het virus SARS-CoV-2 bestaat als bij een bewijs van een negatieve testuitslag”.

Op grond van welke feitelijke gegevens is vastgesteld dat bij een persoon die beschikt over een vaccinatiebewijs een vergelijkbare kans op overdracht van het virus SARS-CoV-2 bestaat als bij een persoon die beschikt over een bewijs van een negatieve testuitslag?

Vraag 2

In het advies van de Gezondheidsraad van 20 mei 2021 wordt geconcludeerd dat vaccinatie “in meer of mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van infecties bij anderen” en “meer onderzoek zal uitwijzen in welke mate, hoe lang en in welke omstandigheden vaccinatie transmissie tegengaat”.

Vraag 2.1

Is de minister het met de PvdD eens dat uit dat advies moet worden afgeleid dat ten tijde van dat advies nog niet wetenschappelijk was vastgesteld dat vaccinatie zodanig tegen transmissie beschermt dat de conclusie gewettigd is dat bij een persoon die beschikt over een vaccinatiebewijs een vergelijkbare kans op overdracht van het virus SARS-CoV-2 bestaat als bij een persoon die beschikt over een bewijs van een negatieve testuitslag?

Vraag 2.2

Welke onderzoeken zijn er na het advies van de Gezondheidsraad van 20 mei 2021 gepubliceerd die uitwijzen in welke mate, hoe lang en in welke omstandigheden vaccinatie transmissie tegengaat?

Vraag 2.3

Hebben die in vraag 2.2. bedoelde onderzoeken ertoe geleid dat de Gezondheidsraad inmiddels heeft geoordeeld dat de conclusie gewettigd is dat bij een persoon die beschikt over een vaccinatiebewijs een vergelijkbare kans op overdracht van het virus SARS-CoV-2 bestaat als bij een persoon die beschikt over een bewijs van een negatieve testuitslag? Heeft de minister om dat advies gevraagd?

Vraag 2.4

Beschikt de minister over een wetenschappelijk onderbouwd advies waaruit blijkt dat mag worden geconcludeerd dat bij een persoon die beschikt over een vaccinatiebewijs een vergelijkbare kans op overdracht van het virus SARS-CoV-2 bestaat als bij een persoon die beschikt over een bewijs van een negatieve testuitslag?

Vraag 2.5

In de publicatie “impact of Delta on viral burden and vaccine effectiveness against new SAR-CoV-2 infections in the UK wordt op pagina 8 aangegeven:
“Peak viral load therefore now appears similar in infected vaccinated and unvaccinated individuals, with potential implications for onward transmission risk, given the strong association between peak Ct ands infectivity. However, the degree to which this might translate into new infections is unclear (….) Nevertheless, there may be implications for any policies that assume a low risk of onward transmission from vaccinated individuals (e.g. relating tot self-isolation, travel), despite vaccines both still protecting against infection, thereby still reducing transmission overall”.

Kan op grond van dat onderzoek de conclusie gewettigd dat bij een persoon die beschikt over een vaccinatiebewijs een vergelijkbare kans op overdracht van het virus SARS-CoV-2 bestaat als bij een persoon die beschikt over een bewijs van een negatieve testuitslag?

Vraag 2.6

Moet op grond van dat onderzoek van Pouwels c.s. worden aangenomen dat de kans dat gevaccineerden anderen besmetten groter is dan de kans dat zij worden besmet door een persoon die beschikt over een negatieve testuitslag als bedoeld in artikel 58ra, tweede lid onder b van de Wpg?

Vraag 3

In het verslag van een schriftelijk overleg vastgesteld op 29 april 2021 (35 526 – 25 295) geeft de minister antwoord op de volgende vraag van de PvdD: “Deelt u het oordeel van deze leden dat het pas zin heeft om over acceptatie, gebruik en invoering van een vaccinatiebewijs te beslissen als vast staat dat het vaccin ertoe leidt dat de gevaccineerde niet meer anderen kan besmetten?”.

Het antwoord van de minister luidde: “Dat oordeel deel ik inderdaad”.

Op grond van welke wetenschappelijke onderbouwing is de minister op dat oordeel teruggekomen?

Vraag 4

ZonMW deed onderzoek naar beweegredenen van vaccinatieweigeraars en publiceerde aanbevelingen: zie https://www.impactcorona.nl/wp-content/uploads/2021/09/Working-paper-Voor-mij-geen-coronavaccin-sept-2021.pdf.

Vraag 4.1

Is de minister bereid de aanbevelingen te volgen?

Vraag 4.2

Verdraagt zich met de aanbevelingen dat de coronapas-regeling mede tot doel heeft twijfelaars te ‘dringen’ richting het zich alsnog laten vaccineren?

Vraag 4.3

Al eerder (verslag van een schriftelijk overleg vastgesteld op 29 april 2021 (35 526 – 25 295 vraag 14) is door de PvdD gevraagd of de minister “het oordeel van de fractie van de PvdD deelt dat personen die zich in verband meet mogelijke bijwerkingen van de vaccins niet willen laten vaccineren, op één lijn moeten worden gesteld met personen die gewetensbezwaren hebben tegen vaccinatie, zoals bedoeld in de vraag van de SGP-fractie, die heeft geleid tot de toezegging?”. Op die vraag gaf de minister geen antwoord. Kan de minister die vraag alsnog beantwoorden.

Vraag 5

Tot de inwerkingtreding van de wijziging dd 14 september 2021 (kenmerk 3237956-1013622-WJZ) tot wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19, mochten beheerders van horecagelegenheden en van locaties voor kunst en cultuur personen toelaten zonder coronatoegangsbewijs.

Vraag 5.1

Werd dat verschaffen van toegang onder de toen geldende regels veilig geacht in het licht van het tegengaan van besmettingsgevaar met Covid-19?

Vraag 5.2

Als de beheerders op dit moment volgens die oude regels toegang zouden verschaffen aan personen zonder coronatoegangsbewijs, in hoeverre zou dat dan besmettingsgevaar opleveren van een andere aard dan die welke vóór de inwerkingtreding van de coronapas-regeling kon optreden bij het toelaten van personen met inachtneming van de toen geldende regels?

Vraag 5.3

Bij brief van 26 augustus 2021 heeft de Nederlandse Vereniging van bioscopen en filmtheaters aan de regering verzocht om hun leden de mogelijkheid te bieden om na de invoering van het coronatoegangsbewijs volgens het voor dat tijdstip geldende regiem personen te mogen toelaten.

Op grond van welke overwegingen heeft de regering dat verzoek niet gehonoreerd? Indien op vraag 5.2 bevestigend moet worden geantwoord, hoe verdraagt zich dan daarmee dat het verzoek niet is gehonoreerd?

Vraag 6

Bij brief van 30 september 2021 (verslag van een schriftelijk overleg vastgesteld 1 oktober 2021) heeft de minister eindelijk geantwoord op vragen die al op 18 juni 2021 waren gesteld. Naar aanleiding van de beantwoording heeft de PvdD nog de volgende vragen.

Vraag 6.1

Is het juist dat het OMT in het 102e advies heeft aangegeven dat “zolang de naleving van het quarantainebeleid in Nederland te wensen overlaat” vlieg- en aanmeerverboden “dienen te worden gehandhaafd”.

Vraag 6.2

Is de minister het met de PvdD eens dat als na het 102e OMT-advies zou blijken dat de naleving van het quarantainebeleid onvoldoende is, dat voor het OMT aanleiding zou vormen te adviseren de vlieg- een aanmeerverboden opnieuw in te stellen?

Vraag 6.3

Is het OMT op de hoogte gesteld van de naleving van het quarantainebeleid in de maanden nadat het 102e OMT-advies was uitgebracht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, achtte het OMT die naleving voldoende met het oog op het tegengaan van besmettingsgevaar?

Vraag 6.4

Bij de beantwoording van vraag 6 in zijn brief van 30 september jl. heeft de minister nagelaten om aan te geven hoeveel inreizigers door het belteam zijn nagebeld.

Wat is het aantal inreizigers dat door het belteam is nagebeld?

Door terug te rekenen vanuit de wel gegeven percentagegegevens en het feitelijk gegeven dat er 186 sancties zijn opgelegd, komt de PvdD tot de volgende resultaten.

186 sancties zijn opgelegd, dat is 12% van de door gemeenten uitgevoerde controles. Het aantal door gemeenten uitgevoerde controles bedroeg dus 1550 personen. Dat was 90% van de gemelde gevallen. Het aantal gevallen waarin aanleiding was om een signaal over mogelijke niet naleving aan gemeenten door te sturen bedroeg dus 1722 personen. Dat was 31% van de personen die waren nagebeld. Het aantal personen dat is nagebeld, moet dus 5554 hebben bedragen. Volgens de gegevens waren er 37000 quarantaineverklaringen voor nabellen aangeleverd. Daarvan zijn er slechts 5554 nagebeld. Omdat vermeld wordt dat dit 90% was van de personen van wie een juist telefoonnummer beschikbaar was, hadden dus 6.171 personen een juist en beschikbaar telefoonnummer opgegeven van de 37.000 van wie quarantaineverklaringen waren aangeleverd.

Dat is slechts 16,6%. In 83,4% beschikte men dus niet over een juist telefoonnummer.

Blijkens de beantwoording van vraag 5 in zijn brief van 30 september jl. zijn 190.000 personen uit een zeer hoog risicogebied ingereisd. Daarvan zijn slechts 5554 personen (2,9%) door het belteam gecontroleerd, en slechts 186 personen met een sanctie bejegend.

Vraag 6.5

Is naar het oordeel van de minister sprake geweest van voldoende controle op de naleving?