Vragen van Nicolaï over verplichte quaran­tai­ne­plicht voor inrei­zigers uit hoogri­si­co­gebied


Indiendatum: 18 mei 2021

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsontwerp 35808.

Zij hebben de volgende vragen.

1. De Raad van State betwijfelt of het wetsontwerp in overeenstemming is met artikel 5 EVRM.

In het nader rapport wijst de minister erop dat er een noodzaak kan bestaan om personen “bij wie (nog) niet zeker is dat zij geïnfecteerd zijn” een vrijheidsontnemende maatregel toe te passen. Daarbij wordt overwogen: “De mogelijkheid om een maatregel van quanantaine op te leggen aan mogelijk geinfecteerde pesoenn is ook reed vervat in artikel 35 van de Wet publieke gezondheid”.

Inderdaad wordt daarin quarantaine mogelijk geacht indien “er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijdeer aan een infectiziekte behorend tot groep A heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geinfecteerd”.

Geldt ingevolge artikel 58nb een quarantaineplicht uitsluitend voor degene die inreist ten aanzien van wie er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of een vermoedelijke lijder aan Sars-CoV-2 heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geinfecteerd? Zo ja, uit welke bepaling blijkt dat? Zo nee, moet de minister dan erkennen dat de quarantaineverplichting die uit het ontwerp voortvloeit veel verder gaat dan die welke op grond van artikel 35 Wpg kan worden opgelegd?

2. Er doen zich de volgende situaties voor:

A. Een persoon die Nederland inreist uit een zeer hoogrisicogebied wordt bij de binnenkomst in Nederland gevraagd of hij verschijnselen van Covid-19 heeft of recentelijk in contact is geweest met iemand die met Covid-19 besmet was; hij verklaart dat dit niet het geval is; voor degene die de vraag gesteld heeft, zijn geen verschijnselen zichtbaar.

B. Een persoon die een locatie in Nederland heeft bezocht waar sprake is van een uitbraak van Covid-19 en terugkeert naar zijn woonplaats elders, wordt gevraagd of hij verschijnselen van Covid-19 heeft of recentelijk in contact is geweest met iemand die met Covid-19 besmet was; hij verklaart dat dit niet het geval is; voor degene die de vraag gesteld heeft, zijn geen verschijnselen zichtbaar.

C. Een willekeurige persoon wordt op een willekeurige locatie in Nederland gevraagd of hij verschijnselen van Covid-19 heeft of recentelijk in contact is geweest met iemand die met Covid-19 besmet was; hij verklaart dat dit niet het geval is; voor degene die de vraag gesteld heeft, zijn geen verschijnselen zichtbaar.

2.1. Kan de minister aangeven of er met betrekking tot de persoon in situatie C zekerheid bestaat dat hij niet of mogelijk wel geïnfecteerd is met Covid-19?

2.2. Als er niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat die persoon niet geïnfecteerd is, moet er dan rekening worden gehouden met een mogelijke verspreiding door die persoon van Covid-19?

2.3. Kan de minister aangeven of er met betrekking tot de persoon in situatie B zekerheid bestaat dat hij mogelijk geïnfecteerd is met Covid-19?

2.4. Als die zekerheid niet bestaat, verschillen de personen bedoeld in situatie C en B dan zodanig dat de één wel en de ander niet aan maatregelen kan worden onderworpen die gericht zijn op het tegengaan van verspreiding van Covid-19?

2.5. Kan de minister aangeven of er met betrekking tot de persoon in situatie A zekerheid bestaat dat hij mogelijk geïnfecteerd is met Covid-19?

2.6. Als die zekerheid niet bestaat, verschillen de personen bedoeld in situatie C, B en A dan zodanig dat de één wel en de ander niet aan maatregelen kan worden onderworpen die gericht zijn op het tegengaan van verspreiding van Covid-19?

3. Als men zich buigt over de drie in de vorige vraag aangegeven situaties komt de vraag op of – mede in het licht van wat de Raad van State over de verenigbaarheid met artikel 5 EVRM heeft opgemerkt - de bevoegdheid tot het opleggen van een quarantaineplicht aan personen van wie niet is vastgesteld dat zij symptomen van Covid-19 hebben of dat zij in een dusdanig contact zijn geweest met personen die met Covid-19 zijn besmet, in feite tegenover een ieder op het grondgebied van Nederland zou mogen worden toegepast.

a. Acht de minister dat aanvaardbaar?

b. Zo nee, waarom mag die bevoegdheid dan wel worden toegepast op iemand die in Nederland inreist?

4. Is de minister uit een oogpunt van gelijke behandeling bereid om de bevoegdheid tot het opleggen van een quarantaineplicht uit te breiden tot personen die verbleven hebben op een locatie in Nederland die op grond van de indicatoren genoemd in het tweede lid van artikel 58ea als een hoog, zeer hoog of uitzonderlijk hoog risicogebied dienen te worden aangemerkt?

5. Zo nee, hoe verdraagt zich dan de toepassing van het wetsontwerp met het beginsel van non-discriminatie indien iemand die in Nederland woonachtig is en inreist zich erop beroept dat hij aan quarnataineverplichtingen wordt onderworpen in verband met een kans op besmetting van anderen die even groot is als bij personen die in Nederland hebben verbleven op een locatie in Nederland die op grond van de indicatoren genoemd in het tweede lid van artikel 58ea als een hoog, zeer hoog of uitzonderlijk hoog risicogebied dienen te worden aangemerkt?

6. Kan de minister aangeven op grond waarvan de inbreuk op de grondrechten die voortvloeit uit toepassing van het ontwerp als minder ingrijpend moet worden aangemerkt dan het invoeren van een verbod van niet-noodzakelijke vliegreizen uit een hoog, zeer hoog of uitzonderlijk hoog risicogebied?

7. Staat vast dat een persoon die tegen Covid-19 gevaccineerd is, geen gevaar kan opleveren voor verspreiding van die ziekte?

8. Staat vast dat de tot op heden bekende vaccins bescherming bieden tegen alle zorgwekkende varianten van het virus SARS-CoV-2? Zo ja van welk vaccin staat dat vast en op grond van welke onderzoeksresultaten komt de minister tot dat oordeel?

7. Indien niet vast staat dat degene die gevaccineerd is, niet aan de verspreiding van het virus kan bijdragen, wat is dan de grondslag voor de bevoegdheid die in artijel 58nc aan de minister wordt toegekend om te bepalen dat een quarantaineverplichting niet geldt voor personen die een bewijs van vaccinatie kunnen tonen.

8. Onderschrijft de minister het oordeel van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren dat personen die inreizen en die over een bewijs van vaccinatie beschikken, in het voordeel zijn in verhouding tot personen die daarover niet kunnen beschikken?

Zo nee, waarop baseert de minister die mening. Zo ja, onderschrijft de minister dan het standpunt dat op zo’n manier een systeem wordt ingevoerd waarbij sluipenderwijs het effect optreedt dat – zonder nadere discussie – het maatschappelijk steeds meer aanvaardbaar wordt geoordeeld dat niet-gevaccineerden worden achtergesteld bij gevaccineerden?

9. De Raad van State vraagt aandacht voor een ontheffingsmogelijkheid voor bijzondere gevallen.

9.1. Onderschrijft de minister het oordeel dat de zware inbreuk op de grondrechten die voortvloeit uit de quarantaineverplichting vereist dat voor bijzondere gevallen een ontheffingsmogelijkheid dient te bestaan?

9.2. Vloeit uit artikel 58nc, vierde lid een wettelijke plicht voort om een ontheffingsmogelijkheid voor individuele bijzondere gevallen in het leven te roepen?

9.3 Als de minister vraag 91 bevestigend beantwoordt en vraag 9.2. ontkennend, waarom is de ontheffingsmogelijkheid dan niet in het wetsontwerp opgenomen?