Vragen van Nicolaï (PvdD) over herijking van de Grond­wets­her­zie­nings­pro­cedure


Indiendatum: 23 jun. 2020

Kan de regering nog eens aangeven wat de concrete aanleiding is om tot het wetsvoorstel te komen? Zijn er grondwetswijzigingen aan de orde geweest die in strijd zijn geweest met de letter en de geest van het bepaalde in artikel 137 Grondwet? Is er een verwachting dat zulks kan gebeuren? Kan de regering toelichten waarom het “zeer onwenselijk zou zijn als de regering en/of Tweede Kamer de behandeling van de tweede lezing zouden uitstellen met als achterliggende reden dat een <gunstiger > samenstelling van een volgende Tweede Kamer wordt voorzien”? Zou de regering daarbij kunnen betrekken of in de verkiezingsstrijd die leidt tot die nieuwe samenstelling van de Tweede Kamer mede de grondwetsherziening als discussiepunt kan worden meegenomen? Blijkens het voorstel is de belangrijkste wijziging dat het voorstel tot grondwetsherziening vervalt indien de Tweede Kamer die gekozen wordt na de bekendmaking van de verklaringswet niet gedurende haar zittingstermijn een besluit neemt. Is het juridisch mogelijk dat een Kamermeerderheid zodanige procedurele beslissingen neemt dat het niet meer ‘lukt’ om in die zittingstermijn omtrent het voorstel te besluiten? Zo nee, waarop baseert de regering haar conclusie daarover. Zo ja, acht de regering dat dan ook “zeer onwenselijk”, zoals door haar uitgesproken over de mogelijkheid dat “de regering en/of Tweede Kamer de behandeling van de tweede lezing zouden uitstellen met als achterliggende reden dat een <gunstiger > samenstelling van een volgende Tweede Kamer wordt voorzien”? Acht de regering het nodig en mogelijk om wettelijke garanties in te bouwen dat een Kamermeerderheid door het vooruitschuiven van de behandeling van de Grondwetsherziening kan bereiken dat het voorstel van rechtswege vervalt op grond van het voorgestelde derde lid van artikel 137 Grondwet?