Vragen Prast n.a.v. aanbieding van de KPMG-studie naar verze­ke­rings­ga­rantie


Indiendatum: mei 2022

De leden van de PvdD danken de minister voor het delen van het KPMG-onderzoek en voor de appreciatie ervan. Dit onderzoek is voortgevloeid uit een toezegging in 2018 gedaan tijdens het debat over de Wet herstel en afwikkeling verzekeraars (2018), waarbij de minister opmerkte: “Dat onderzoek zal in elk geval vragen naar die zaken die mevrouw Prast specifiek voor de Nederlandse situatie van belang vindt.”

Eén van die zaken was (en is) het in kaart brengen van het risico van besmetting tussen verzekeraars en banken. Het gaat om het risico dat polishouders door het falen van hun verzekeraar hun verplichtingen aan banken (rente en aflossing hypotheek, consumentenkrediet) niet kunnen nakomen. Het KPMG-onderzoek besteedt daar geen aandacht aan. Deze leden vragen de minister om alsnog het toegezegde onderzoek naar dit risico van besmetting te laten verrichten, en de resultaten daarvan met de Kamer te delen. Is de minister het met deze leden eens dat onderzoek naar de kosten en baten van een verzekeringsgarantiestelsel (IGS) niet volledig kan zijn zonder dat het hiervoor genoemde risico in kaart is gebracht en gekwantificeerd?

Deze leden hebben verder naar aanleiding van het KPMG onderzoek en de appreciatie door de minister daarvan de volgende vragen.

De toezegging tijdens het debat over de Wet herstel en afwikkeling verzekeraars (2018) betrof een onderzoek naar zowel de kosten als de baten van een IGS in de Nederlandse situatie. Waarom is de omvang van de baten niet onderzocht?

De doelomvang van het depositogarantiefonds is 0,8 procent van de gegarandeerde deposito’s. Waarom is voor een IGS niet een vergelijkbaar uitgangspunt gehanteerd? De concentratie in de verzekerings- en de bankensector zijn vergelijkbaar, maar de minister heeft KPMG opgedragen het falen van een grote levensverzekeraar en een grote schadeverzekeraar als basisuitgangspunt te nemen voor bepaling van de doelomvang van het IGS. Gezien de hoge concentratie in de verzekeringssector staat het falen van een grote speler gelijk aan het falen van rond twintig procent van de markt. Wat zou de doelomvang van het depositogarantiefonds geweest zijn als niet een percentage van de gegarandeerde deposito’s, maar het falen van een grootbank als uitgangspunt was genomen?

Waarom heeft de minister KPMG als basisuitgangspunt meegegeven om het doelbedrag te financieren middels een directie premie-opslag? De minister schrijft dat de kosten die met een IGS gemoeid zijn in verhouding dienen te staan “tot de geboden bescherming voor polishouders, te meer daar zij de kosten (deels) zullen dragen”. Betekent de geopperde financiering via een premie-opslag dat er volgens de minister geen andere baten (externe effecten), waaronder baten voor de financiële sector zijn van een IGS, waaronder het voorkomen van het wegvallen van vertrouwen in financiële instellingen, de toezichthouder en de overheid, en van financiële instabiliteit? KPMG zelf schrijft dat bij (dreigende) insolventie de maatschappelijke schade groot kan zijn. Waarom heeft KPMG geen inschatting gemaakt van de omvang daarvan bij afwezigheid van een IGS?

In het depositogarantiesysteem zijn tegoeden verzekerd tot een bedrag van 100.000 euro. Dat is ruim voldoende om alle spaarders volledige dekking te bieden (het gemiddelde spaargeld van Nederlanders is 40.000 euro, mensen met meer dan 100.000 euro kunnen hun spaargeld over meerdere banken verdelen). Het gemiddelde pensioenvermogen van Nederlanders op pensioendatum is rond 240.000 euro. Hoeveel procent van de pensioengerechtigden en ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zouden volgens de uitgangspunten van de KPMG studie volledige dekking krijgen door het IGS?

Wie belegt via een bank is beschermd omdat het belegde kapitaal buiten de boedel valt. Wie belegt via een verzekeraar is niet beschermd, want het kapitaal valt in de boedel. Denkt de minister dat financiële consumenten van dit verschil op de hoogte zijn? Heeft zij cijfers hierover, en zo niet is zij bereid deze kennis te verzamelen en met de Kamer te delen?

Dankzij het depositogarantiestelsel hebben klanten van ATB onlangs, nadat DNB de bankvergunning had ingetrokken, aanspraak kunnen maken op compensatie van hun banktegoeden tot een maximum van 100 duizend euro. Bij afwezigheid van een IGS krijgen polishouders (waaronder gepensioneerden en ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering) geen enkele compensatie als de Nederlandsche Bank de vergunning van een (levens)verzekeraar intrekt. Weet de minister hoeveel procent van de polishouders (pensioen/levenbedrijf en arbeidsongeschiktheid) denkt beschermd te zijn tegen inkomensdaling in het geval hun verzekeraar de vergunning kwijtraakt? Zo ja, hoeveel procent is dat? Zo nee, is de minister bereid dit in kaart te laten brengen?

Is de minister het met deskundigen eens dat als verzekerden niet beschermd zijn tegen inkomensdaling de prudentiële toezichthouder de neiging te lang te wachten met het intrekken van de vergunning? Waarom is het vermijden van de kosten van deze “toezichtlaksheid” niet meegenomen als bate van een IGS? Is de minister bereid om een schatting van de omvang van deze kosten hiervan met de Kamer te delen?

De minister schrijft dat de kosten voor een IGS alleen over nieuwe individuele en nieuwe of verlengde collectieve pensioenverzekeringen kunnen worden geheven. Bedoelt zij hiermee te zeggen dat er geen juridische mogelijkheid is om de kosten aan bestaande klanten door te berekenen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de bevoegdheid van verzekeraars om tijdens de looptijd van de pensioenovereenkomst wijzigingen aan te brengen in de kosten? Zo nee, waarom zouden alleen nieuwe individuele en nieuwe of verlengde collectieve pensioenverzekeringen bijdragen aan de kosten? Hoe zijn de ons omringende landen, die wél een IGS hebben, bij invoering omgegaan met het doorberekenen van de kosten aan bestaande en nieuwe polishouders?

Bij KPMG Nederland werken rond 150 professionals gericht op het adviseren van verzekeraars. Wat betekent dit voor de onafhankelijkheid van de onderzoekers en daarmee de waarde van het onderzoek voor beleid? Het onderzoek werd begeleid door een klankbordgroep met daarin onder andere het Verbond van Verzekeraars. Ziet de minister hier een risico van (schijn van) belangenverstrengeling? Kan zij haar antwoord toelichten?

Wat heeft het ministerie ertoe doen besluiten het onderzoek te laten verrichten door een commercieel bedrijf en niet door wetenschappers aan universiteiten of de onderzoeksafdeling van DNB?

De minister heeft het KPMG onderzoek laten begeleiden door een klankbordgroep van belanghebbenden. Hoe zijn pensioendeelnemers/gepensioneerden die verplicht via hun werkgever of bedrijfstak sparen/pensioen ontvangen in de tweede pijler vertegenwoordigd? Wat is de mogelijkheid voor mensen met een arbeidsongeschiktheidsverzekering om van verzekeraar te veranderen?