Vragen Nicolaï (PvdD) naar aanleiding van de brief van 31 januari 2022: beant­woording vragen inzake COVID-19-maat­re­gelen (December 2021)


Indiendatum: feb. 2022

Nadere vragen van de fractie van de Partij voor de Dieren naar aanleiding van de brief van 31 januari 2022 (beantwoording vragen Eerste Kamer inzake COVID-19-maatregelen December 2021).

De leden hebben met belangstelling kennis genomen van de uitvoerige beantwoording van de op 24 december 2021 gestelde vragen. Zij hebben moeten constateren dat sommige vragen niet en niet volledig beantwoord werden. De beantwoording geeft hen aanleiding tot nadere vragen. Verzocht wordt de (sub)vragen afzonderlijk te beantwoorden.

Vraag 1

Vraag 1 die op 24 december was gesteld, betrof de vraag of het RIVM ervan op de hoogte was dat de vaccineffectiviteit tegen transmissie was teruggelopen van 90% naar circa 40%. De reactie “gegevens uit landen die heel snel begonnen zijn met vaccineren (…) worden daarbij zeker meegenomen”, is geen antwoord op de vraag. Verzocht wordt om aan te geven of het RIVM in de zomer 2021 op de hoogte was van die percentages.

Vraag 2

Het slot van het antwoord op de vraag 1, luidt “Gegevens over vaccinatie-effectiviteit kunnen dus niet makkelijk vertaald worden naar de Nederlandse situatie”

Vraag 2a

Bedoelt de minister dat als de in Israël wordt gemeten dat de vaccineffectiviteit tegen transmissie is afgenomen naar 40%, daaruit niet kan worden afgeleid dat de aanname in juli/augustus 2021 van een 80 tot 90 procent bescherming tegen besmetting twijfelachtig was?

Vraag 2b

Hoe is het antwoord dat de gegevens uit Israël niet vertaald konden worden naar de Nederlandse situatie te rijmen met de brief van de minister dd 13 december 2021 aan de Gezondheidsraad met het “verzoek nadere duiding Israëlische studies COVID-19-boostervaccinatie”? Uit deze brief blijkt immers dat de minister de vraag opwerpt of “op basis van deze Israëlische studies” destijds tot een andere afweging gekomen had kunnen worden. Kan de minister daarop reflecteren?

Vraag 3

In vraag 2 werd gevraagd welke percentages uit onderzoek in Nederland door het RIVM in augustus en september 2021 waren vastgesteld met betrekking tot de vaccineffectiviteit van de transmissie. Daarop is geen antwoord gegeven. Verzocht wordt om aan te geven welke percentrages voor die periode wekelijks zijn vastgesteld.

Vraag 4

Het antwoord op vraag 4 gaat niet in op de vraag of de Gezondheidsraad de onderzoeksgegevens uit Israël en de conclusies van de Belgische Gezondheidsraad van september 2021 over de sterk afnemende vaccineffectiviteit tegen transmissie in haar advies had betrokken.

Vraag 4a

Uit welke onderdelen van het advies van de Gezondheidsraad blijkt dat deze beschikte over cijfers waaruit bleek dat de vaccineffectiviteit tegen transmissie dramatisch daalde?

Vraag 4b

Waarom is de Gezondheidsraad door de minister in het kader van de adviesaanvraag niet op enig moment op de hoogte gesteld van de cijfers waarover het RIVM – aangenomen dat het antwoord op vraag 2 in de brief van 31 januari 2022 correct blijkt te zijn – beschikte in augustus en september 2021?

Vraag 4c

Waarom is de Gezondheidsraad door de minister in het kader van de adviesaanvraag niet op enig moment op de hoogte gesteld van de bij het Instituto Superiore di Sanita (de Italiaanse evenknie van het RIVM) op dat moment bekende gegevens over die afname van effectiviteit?

Vraag 5

In de brief van 13 december 2021 vraagt de minister aan de Gezondheidsraad “om te reflecteren op de vraag of op basis van deze Israëlische studies destijds tot een andere afweging gekomen had kunnen of moeten worden met betrekking tot de timing van de boostercampagne”.

Vraag 5a

Uit welk onderdeel van de taakomschrijving van de Gezondheidsraad maakt de minister op dat die raad dient te beoordelen of en zo ja op welke termijn het wenselijk of noodzakelijk is om ter bestrijding van de COVID-19-epidemie een booster toe te dienen? Kunt de minister daarbij ingaan op het antwoord op vraag 5 in de breif van 31 januari 2022, waar gesteld wordt: “Het OMT bekijkt de vaccinatiestrategie meer vanuit het algemene pandemiebestrijdingsperspectief.”

Vraag 5b

Kan de minister ingaan op de stelling dat de vraag of en zo ja op welke termijn de boostercampagne moest worden gestart, niet de uitvoering van de Gezondheidswet maar de uitvoering van de Wpg betreft.

Vraag 5c

Heeft de minister, en zo ja op welk moment, aan het RIVM de vraag voorgelegd of en zo ja op welke termijn het in het licht van de bij het RIVM bekende gegevens wenselijk of noodzakelijk was om ter bestrijding van de COVID-19-epidemie een booster toe te dienen? Zo ja, wat was het advies van het RIVM? Op grond van welke gegevens betreffende vaccineffectiviteit tegen transmissie was dat advies gebaseerd?

Vraag 6

Uit de antwoorden in de brief van 31 januari 2022 op de vragen 12, 13, 14 en 15 blijkt de het OMT niet wettelijk is geregeld en dat de bevoegdheid om een OMT in te stellen en samen te stellen een autonome bevoegdheid betreft van een ambtenaar.

Vraag 6a

Waarom is er niet voor gekozen om het OMT in te stellen bij wet of Koninklijk Besluit zodat het adviesorgaan valt onder de Kaderwet adviescolleges?

Vraag 6b

Is de minister bereid om – gelet op de zwaarwegende impact van de adviezen van het OMT – het ertoe te leiden dat die adviestaak wettelijk wordt geregeld?

Vraag 6c

Uit het antwoord op vraag 15 blijkt dat de beslissing van de ambtenaar om een OMT in te stellen en samen te stellen en om de wijze van beraadslaging en openbaarheid te bepalen, onder de ministeriele verantwoordelijkheid valt.

Op welke wijze wordt aan die verantwoordelijkheid inhoud gegeven? Wordt omtrent het instellen, samenstellen en bepalen van de wijze van beraadslaging en openbaarheid van te voren overleg gevoerd met de minister? Op welke wijze vindt dat overleg plaats? Uit welke documenten blijkt de inhoud van dat overleg? Is de minister bereid die documenten met de Kamer te delen?

Vraag 7

Indien het OMT niet wettelijk is geregeld, in hoeverre kan dan worden gesproken van een positie van ‘onafhankelijk adviseur’?

Vraag 8

Vraag 16 in de brief van 24 december 2021 had betrekking op wettelijke voorschriften die gelden voor “de besluitvorming en openbaarheid” die gelden voor de in de vraag genoemde adviesorganen. In het antwoord van de minister wordt ingegaan op de Wet openbaarheid van bestuur. Deze heeft betrekking op de openbaarheid van ‘documenten’. De vraag welke wettelijke voorschriften gelden voor de besluitvorming en voor de openbaarheid van de beraadslagingen bleven onbeantwoord. Graag krijgen de leden nog antwoord op die vragen. Indien blijkt dat er voor die punten geen wettelijke voorschriften bestaan, is de minister dan bereid om het ertoe te leiden dat die alsnog in het leven worden geroepen?

Vraag 9

Is het juist dat uit het antwoord op vraag 17 volgt dat voor de Gezondheidsraad, het OMT, het DB en het BAO geen wettelijk voorschriften gelden die betrekking hebben op de onpartijdigheid, vergelijkbaar met de eisen die voortvloeien uit artikel 2:4 Awb?

Vraag 10

Op vraag 23 in de brief van 24 december 2021 is geen antwoord gegeven. De leden verzoeken alsnog het antwoord te vernemen.