Nadere vragen Nicolaï (PvdD) over Wet op Inlich­tingen-en Veilig­heids­diensten (Wiv)


Indiendatum: 1 dec. 2020

De leden van de fractie van de PvdD danken de regering voor de beantwoording van haar vragen. Die antwoorden geven aanleiding voor het stellen van de volgende vragen.

1. Op de vraag of de bescherming van de verschoningsgerechtigden in de praktijk onvoldoende is, zoals uit rapport 52 van de CTIVD en het jaarverslag van de TIB kan worden afgeleid, antwoordt de regering dat hun positie geen deel uitmaakt van het onderhavige wetsvoorstel. Mag hieruit worden afgeleid dat de regering de constatering dat er onvoldoende bescherming is, niet weerspreekt? Zo ja, is de regering bereid de WIV op dat punt aan te passen? Zo nee, op grond van welke redenering weerspreekt de regering die constatering?

2. De regering meldt dat met de TIB en de CTIVD is “afgesproken dat indien de diensten, met name bij een verzoek dat betrekking heeft op ongeëvalueerde gegevens en bulkgegevens, reeds het oogmerk hebben om gegevens te delen met buitenlandse diensten, dit in de toestemmingsaanvraag aan de TIB wordt vermeld”. Waarom is een verplichting daartoe niet in de wet opgenomen? In welke gevallen zou de TIB of de CTIVD toestemming in strijd met de wet moeten oordelen? Als er weinig mogelijkheden zijn om toestemming te weigeren, op welke wijze zijn dan de belangen beschermd van degenen over wie gegevens worden gedeeld? Dient zo’n geval in de wegingsnotitie te worden vermeld?

3. De regering merkt op dat het vraagstuk van bevoegdheidsonafhankelijke waarborgen geen deel uitmaakt van het onderhavige wetsvoorstel. Op grond van welke redenering komt zij tot die conclusie? Zulke waarborgen strekken toch juist tot het voorkomen van ongericht ‘veegwerk’ en uitwisseling van daarmee verkregen gegevens? De regering erkent dit toch, waar zij opmerkt dat de balans tussen waarborgen en de verantwoordelijkheden van de diensten op dit punt onderdeel uitmaken van de evaluatie? Als dat zo is, waarom zou er dan geen reden kunnen zijn om criteria of eisen op dit punt in het wetsontwerp op te nemen?

4. Het belang van de taak en positie van de CTIVD wordt door de regering onderstreept, maar zij acht het niet gewenst om in de wet vast te leggen dat de minister gehouden is de aanbevelingen van de CTIVD op te volgen wanneer overtredingen door de AIVD of de MIVD zijn geconstateerd. Kan de regering aangeven hoeveel aanbevelingen de CTIVD sinds haar instelling heeft gegeven en hoeveel van die aanbevelingen niet door de verantwoordelijke ministers zijn overgenomen? Op welke grond kan een minister een rapportage of aanbeveling naast zich neerleggen, indien deze betrekking heeft op de (on)rechtmatigheid van de wetsuitvoering?

5. De regering ontkent niet dat bij internationale samenwerking een deel van het inlichtingenwerk met de daarbij gedeelde gegevens zich aan het toezicht onttrekt. Zien de leden van de fractie dit goed? Op de vraag waarom op dat punt niet in nader toezicht wordt voorzien, is de reactie van de regering dat een eventuele wetswijziging “alleen voor de Nederlandse toezichthouder effect zou hebben”. Waarom zou dat in de weg staan aan een aanpassing van de wet op dat punt? Als het zo is – wat de regering stelt – dat voor de samenwerking van de AIVD en de MIVD met buitenlandse diensten en het feit dat er in dat kader staatsgeheime gegevens met die diensten worden gedeeld, de voor de diensten verantwoordelijke ministers volledig verantwoordelijk zijn”, waarom zou die samenwerking dan niet onder het toezicht van de CTIVD kunnen vallen, nu immers de ministers beschikken over alle details van die samenwerking?

6. De TIB deint bij de beoordeling van de gerichtheid mee te wegen in hoeverre bij verwerving sprake is van het tot een minimum beperken van niet strikt voor het onderzoek noodzakelijke gegevens, gelet op de technische en operationele omstandigheden van de casus. Op de vraag van de leden van de fractie waarom dat criterium niet in de wet is opgenomen, heeft de regering geen antwoord gegeven. Graag vernemen de leden van de fractie alsnog het antwoord.

7. De leden van de fractie hadden ook de vraag gesteld, wat er over blijft van de ‘gerichtheidseis’ indien de dienst volhoudt dat zij nog steeds bezig is met ‘target discovery’. Op die vraag is geen antwoord gegeven. Graag vernemen de leden van de fractie alsnog het antwoord.

8. Als er sprake is van een acute dreiging stelt de regering dat de diensten de inspanning moeten plegen die gezien de operationele en technische omstandigheden op dat moment redelijkerwijs van hen kan worden gevergd. Kan dat meebrengen dat de ‘gerichtheidseis’ dan niet behoeft te worden nageleefd? Kan de regering een voorbeeld geven waarin zo’n inspanning verantwoord wordt in het verzoek om toestemming? Kan de TIB dan een gegevensvergaring of uitwisseling waarbij aan de ‘gerichtheidseis’ niet wordt voldaan, rechtmatig oordelen?

9. De regering erkent dat de diensten een methode van onderzoek kunnen kiezen waarbij op voorhand vaststaat dat de door de regering bedoelde ‘knip’ technisch niet mogelijk is. Zien de leden van de fractie dat goed?

10. Als de door de regering bedoelde ‘knip’ niet kan worden aangebracht in een dataset, hoe verhoudt zich dat tot artikel 26, vijfde lid?

11. De regering acht het toelaatbaar dat de diensten apparatuur aanschaffen die breder ingezet wordt en niet beperkt is voor specifieke inzet. Wat blijft er over van de ‘gerichtheidseis’ indien diensten uitsluitend apparatuur aanschaffen en inzetten die alleen breed kan worden ingezet?

12. Welke regels hebben betrekking op de verwerking van bulkdatasets? In hoeverre leidt de toepassing daarvan tot het waarborgen dat gegevens van onschuldige personen die via een breder onderzoek zijn verzameld, niet blijven ‘hangen’ bij de diensten? Kan de regering dat aan de hand van voorbeelden en toepassing van die regels illustreren?

13. De regering ontkent niet dat het kan voorkomen dat verworven gegevens volgens de CTIVD onrechtmatig zijn verkregen en verwerkt omdat het onderzoek niet in overeenstemming met artikel 26, vijfde lid van de WIV is uitgevoerd. Het is juist dat de minister in zo’n geval kan worden aangesproken. Waarom is er wettelijk niet geregeld wat er dan met de gegevens dient te gebeuren?

14. De leden van de fractie hebben gevraagd waarom de waarborg van artikel 2 van de Beleidsregels Wiv 2017 niet in de wet is verwerkt. De regering verwijst naar het feit dat er in die gevallen ‘wegingsnotities’ zijn vastgesteld. Zien de leden van de fractie het goed dat ‘weging’ inhoudt dat er een afweging wordt gemaakt? En zijn zij het goed wat een ‘waarborg’-bepaling juist geen ‘afweging’ impliceert? Kan de regering in dat verband nog eens uitleggen waarom het bestaan van wegingsnotities het onnodig zou maken om een wettelijke norm met een waarborgkarakter vast te stellen?

15 De leden van de fractie hebben er op gewezen dat de Raad van State heeft geadviseerd uitwisseling van ongeëvalueerde gegevens i]uitsluitend toe te staan indien er een wegingsnotitie is opgesteld. Is het juist dat als in een geval van acute dreiging het voornemen opkomt om gegevens uit te wisselen met een dienst waarmee nog geen samenwerkingsrelatie bestaat, de dienst een afweging van belangen zal moeten voltrekken? Kan de regering aangeven waarom die afweging niet in een notitie kan worden opgenomen? Ook in situaties waarop artikel 64 Wiv ziet, gaat de regering ervan uit dat een risico-inschatting moet worden gemaakt en dat de verstrekking van gegevens enkel na toestemming van de verantwoordelijke minister mag geschieden. Wordt die minister op dat moment van de weging door de dienst op de hoogte gebracht? Waarom zou dat niet schriftelijk kunnen gebeuren?