Bijdrage Nicolaï met betrekking tot de nage­hangen wijziging van de Tijde­lijke regeling maat­re­gelen covid-19 door toevoeging van artikel 6.7a en 6.7b aan die regeling


Indiendatum: 19 jan. 2021

Inbreng PvdD met betrekking tot de nagehangen wijziging van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 door toevoeging van artikel 6.7a en 6.7b aan die regeling.

1. Hoe is het opnemen van een delictsomschrijving die een handelen betreft dat niet door een Nederlandse onderdaan, of door een in Nederland gevestigde rechtspersoon wordt verricht in het buitenland, te verenigen met de beginselen dat de Nederlandse staat daartoe niet bevoegd is, behoudens de in de artikelen 4, 5 en 6 Wetboek van strafrecht bedoelde gevallen?

2. Is de regering het eens met de Raad van State dat het verdragsrechtelijk beschermde recht op terugkeer meebrengt dat voorwaarden die aan een vervoerder worden gesteld niet zodanig vergaand mogen zijn dat het recht om te reize feitelijk onder geen enkele omstandigheid meer kan worden uitgeoefend door een Nederlander die in het buitenland is en die om welke reden dan ook niet kan beschikken over de vereiste testverklaring?

3. In artikel 12 IVBPR wordt in het derde lid aangegeven dat de in de eerste en tweede lid bedoelde rechten kunnen worden beperkt ter bescherming van de volksgezondheid.

Is de regering het met de fractieleden eens dat een eventuele beperking van het recht dat in het vierde lid wordt geregeld, niet gegrond kan worden op het derde lid.

4. In het rapport van het Human Rights Committee waarnaar de Raad van State op bladzijde 2 van haar advies over de wijziging van artikel 58p Wet publieke gezondheid verwijst, is geconcludeerd dat “there are few, if any, circumstances in which deprivation of the right to enter one’s own country could be reasonable”.

a. Hoe legt de regering die passage uit?

b. Moet uit artikel 12 IVBPR en artikel 3, tweede lid, van het Vierde Protocol bij het EVRM niet worden afgeleid dat een Nederlandse onderdaan die terugkeert naar Nederland maar niet beschikt over een negatieve testuitslag als bedoeld in de regeling, niet door de Nederlandse staat mag worden belemmerd om de reis te maken en dat hij bij binnenkomst de gelegenheid moet krijgen om de test af te leggen dan wel – indien hij dat weigert – op Nederlands grondgebied in quarantaine zal kunnen worden gehouden indien de Wet publieke gezondheid daartoe een grondslag biedt? Zo nee, op grond van welke redenering komt de regering tot haar conclusie? Zo ja, hoe verdragen de bepalingen 6.7a en 6.7b zich daarmee?

c. In de bepalingen is geen uitzondering opgenomen zoals in artikel 58p, vijfde lid van de Wet publieke gezondheid. In hoeverre verdragen de bepalingen zich met de visie die ten grondslag ligt aan het opnemen van artikel 58p, vijfde lid van de Wet publieke gezondheid.