Opinie: De trek­vogels treft geen enkele blaam


4 december 2014

Gepubliceerd in Trouw, 4 december

Bij de nieuwe uitbraak van dierziekten die een gevaar vormen voor mens en dier, tekent zich een voorspelbaar patroon af. Alle betrokkenen kijken naar de lucht als het gaat om de schuldvraag: in het wild levende dieren zouden de meest plausibele oorzaak zijn van alle misère.

Henk Bleker, ex-CDA staatssecretaris van landbouw, nu voorman van de veetransporteurs en melkvee-ondernemer in Mongolië, wees direct de trekvogels aan als schuldigen van de nieuwe vogelpestcrisis. Gert Jan Oplaat, oud-kamerlid voor de VVD, en voorman van de pluimveehouders beschuldigde eveneens de trekvogels, maar ziet tevens een rol weggelegd voor muizen.

Dat laatste is nodig, omdat de recente uitbraken zich voordeden in potdichte stallen, waar kippen niet uit en trekvogels niet in kunnen. Hoe komt zo’n virus dan toch zo’n stal binnen? En als het virus de stal binnen kan, lopen omwonenden dan gevaar omdat het er kennelijk ook weer uit kan? Volgens Oplaat zou het kunnen dat een muis wordt getroffen door de uitwerpselen van een besmette trekvogel, en dat die muis dan vervolgens een gaatje vindt om de potdichte kippenstal te bereiken om daar de kippen te besmetten.

Een hypothese die duidelijk bedoeld lijkt om de pluimveesector vrij te pleiten Keer op keer wordt beweerd dat er veel verbeterd zou zijn ten opzichte van de crisis in 2003 toen 1/3 van alle kippen geruimd werd, maar op geen enkele wijze wordt duidelijk waar die verbeteringen dan gezocht moeten worden. Mogelijk in verbeterde efficiency, het pluimveebedrijf in Renswoude dat in het NOS journaal voorbij kwam had in 2003 8.000 kippen en heeft inmiddels 20.000 dieren op stal. En die schaalvergroting geldt voor de hele sector: er worden inmiddels jaarlijks 552 miljoen kippen geslacht in ons land, meer dan ooit tevoren.

Uit een recente dissertatie van Jacintha van Dijk van de KNAW blijkt echter dat trekvogels het virus niet naar ons land brengen, maar vooral hier besmet raken.

Een andere interessante vraag is waarom trekvogels niet geveld worden door het virus, terwijl kippen die erdoor besmet worden meteen omvallen. Zou het iets te maken kunnen hebben met het gebrek aan weerstand van ons pluimvee, in relatie tot de wijze waarop ze gehouden worden, in overvolle stallen onder zeer onnatuurlijke omstandigheden,op de been gehouden met behulp van antibiotica en andere kunstgrepen voor de zeer korte tijd die hun leven duurt.

De staatssecretaris reageert korzelig op vragen die gesteld worden over de eigen verantwoordelijkheid van de pluimveesector en over de zogenaamde verbeteringen die naar aanleiding van de crisis van 2003 zouden zijn doorgevoerd.

Dijksma wijst vooral op het leed van pluimveehouders die door de uitbraak geraakt zijn.

Maar wie werkelijk mededogen wil tonen met het leed dat mensen en dieren wordt aangedaan, moet vaststellen dat de voortgaande schaalvergroting in de bio-industrie leidt tot enorme, zeer onoverzichtelijke risico’s leidt.

Al bijna 100 jaar wordt onderzoek gedaan naar de herkomst van de Spaanse griep van 1918 die een einde maakte aan de Eerste wereldoorlog en aan 40 tot 50 miljoen mensenlevens. Het wordt wel de moeder aller pandemieën genoemd,wetenschappers verschillen nog steeds van mening of het virus haar oorsprong had bij dieren in China, de VS of Oostenrijk.

Wat wel als vaststaand wordt aangenomen is dat mensen en varkens als reactorvaten gewerkt hebben om deze zoonose een hoogpathogeen karakter te geven en zodanig te muteren dat ze van mens op mens overdraagbaar werd.

In de Nederlandse bio-industrie zijn kippenschuren en varkensstallen onverantwoord dicht op elkaar gebouwd, zodat mutatie van het vogelgriepvirus via varkens en de mensen die in de stallen werkzaam zijn niet denkbeeldig is.

Het RIVM adviseert om minimaal een veilig geachte afstand van 1.000 tot 2.000 meter tussen deze bedrijven aan te houden.

Uit onderzoek blijkt dat 90 procent van de pluimveebedrijven en 69 procent van de varkensbedrijven in Brabant minder dan 1.000 meter van elkaar is gevestigd. Het overgrote deel van deze veebedrijven staat zelfs binnen 500 meter van elkaar. Die roekeloze wijze van bouwen vergroot niet alleen het risico van verspreiding van besmettelijke virussen, het kan ook een gevaar vormen op het ontstaan van voor mensen dodelijke zoönosen.

Viroloog Ab Osterhaus noemde die kans 'niet ondenkbaar', gezien de grote aantallen kippen en varkens in een relatief klein, dichtbevolkt gebied. GGD-regiodirecteur Jos van de Sande gaf aan dat alleen beperking van het aantal kippen en varkens in Peel en Kempen het gevaar op uitbraak van een pandemie vermindert. Na de crisis van 2003 is weinig tot niets gedaan met dergelijke waarschuwingen. De blinde ambitie van schaalvergroting in de bio-industrie uit economische motieven, lijkt ook blind te hebben gemaakt voor de grote gevaren ervan voor volks- en diergezondheid.

Met als ‘niet ondenkbaar’ risico een pandemie die meer mensen en dieren zal kunnen doden dan ooit in de geschiedenis van de mensheid is voorgekomen. Het goedkope ei en de kiloknaller worden duur betaald.

Niko Koffeman, lid Eerste Kamer, Partij voor de Dieren