Bijdrage Prast (PvdD) over wets­voorstel even­wich­tiger maken van het aantal mannen en vrouwen in het bestuur en raad van commis­sa­rissen van grote naamloze en besloten vennoot­schappen


"Wets­voorstel leidt tot minder negatieve discri­mi­natie van vrouwen"

14 september 2021

Dank u, voorzitter.

Als onze Kamer dit wetsvoorstel aanneemt, schrijven we geschiedenis, want het voorstel heeft een veel grotere betekenis dan alleen voor raden van commissarissen en niet-uitvoerende besturen. Het erkent dat we dwingend moeten ingrijpen om vrouwen in Nederland in staat te stellen hun formeel gelijke rechten en kansen te benutten. Hans de Boer, de in januari van dit jaar onverwacht en te jong overleden voorzitter van VNO/NCW, kwam tot dat inzicht nadat hij aanvankelijk dacht dat de instroom van meisjes in het hoger onderwijs vanzelf tot een doorstroom naar de top zou leiden. Hij had dit debat graag willen volgen.

Een grotere representatie van vrouwen in raden van commissarissen is niet alleen belangrijk voor de vrouwen die daar terechtkomen, maar voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Vrouwelijke rolmodellen zijn van groot belang voor de zelfverzekerdheid en het geloof in eigen kunnen en daarmee voor de ambitie van meisjes en vrouwen, of ze nu hoog of laag opgeleid zijn, veel of weinig verdienen.

Vrouwelijke rolmodellen zorgen er ook voor dat jongens en mannen — en nou zeg ik het vriendelijk — meer respect krijgen voor meisjes en vrouwen. Ik had ook kunnen zeggen: "minder neerkijken op meisjes en vrouwen".

Met dit wetsvoorstel reduceren we de negatieve discriminatie van vrouwen in Nederland. Want die is er. Ondanks formeel gelijke rechten worden vrouwen en mannen in gelijke gevallen verschillend behandeld en benaderd. Meestal onbewust en onbedoeld. Dat ga je pas zien als je het doorhebt. Ik geef daarom graag een voorbeeld op een van de terreinen van een van de hier aanwezige ministers, het onderwijs. Samen met economiedocent Jellie Stinstra heb ik onderzocht welke personages voorkomen in het lesmateriaal onderbouw economie van vmbo, havo en vwo.

In totaal komen er in de economieboeken 1820 mannen en 668 vrouwen met betaald werk voor. Er zijn ook personages zonder betaald werk. Deze verhouding van werkende mannen en vrouwen is dezelfde als die we 50 jaar geleden in Nederland hadden op het vlak van de arbeidsmarktparticipatie. Het lesmateriaal bevat vier keer zo veel professionele voetballers en drie keer zo veel professionele wielrenners als verpleegsters. Bouwvakkers en stratenmakers komen veel vaker voor dan werkenden in het onderwijs en de zorg. En dat terwijl er in die laatste twee sectoren in Nederland 1,5 miljoen mensen werken, voor de overgrote meerderheid vrouwen. In het lesmateriaal is 9% van de ministers vrouw. Volgens mij is dat nog minder dan in Rutte III, maar eerlijk gezegd, ben ik bij Rutte III de tel een beetje kwijtgeraakt. Geen van de ministers in het lesmateriaal is minister van Economische Zaken, terwijl we de afgelopen 25 jaar toch twee vrouwelijke ministers op dat ministerie hebben gehad. Eén daarvan is fractievoorzitter in dit huis, de ander legde ooit de basis voor het wettelijke streefcijfer uit 2013.

Kortom, scholieren krijgen in de economielessen een samenleving voorgeschoteld waarin vrouwen, en de sectoren waarin vooral zij werken, letterlijk nauwelijks meetellen. We weten uit onderzoek dat dit het zelfvertrouwen en de ambitie van meisjes schaadt, terwijl jongens erdoor gaan neerkijken op de andere sekse. De Verenigde Naties beschouwen genderstereotypering dan ook als een ondermijning van mensenrechten en ze verplichten aangesloten landen om daartegen maatregelen te nemen. De auteurs van het genoemde lesmateriaal hebben heus niet bewust een samenleving willen schetsen waarin vrouwen ondervertegenwoordigd en onbelangrijk zijn. De scheve verhouding komt voort uit een onbewust vooroordeel in onze samenleving, onder mannen en vrouwen, over de gepaste rol van vrouwen en mannen.

Ook in de selectie van sollicitanten speelt dit vooroordeel een rol. Maar het is echt onbedoeld en onbewust. Wat een mannelijke kandidaat wordt vergeven — hij had een slechte dag — geeft bij vrouwelijke sollicitanten de doorslag in negatieve zin: zie je wel, ze kan het niet. Dat verzin ik niet; het komt uit onderzoek van de Harvard Business School.

De heer Van Kesteren (PVV): Ik zou mevrouw Prast het volgende willen vragen. Is de achterstelling van vrouwen in Nederland in alle sectoren en alle culturen onbedoeld en onbewust of zijn er ook voorbeelden van bewuste achterstelling?

Mevrouw Prast (PvdD): Ik spreek hier over de selectie van sollicitanten. Ik spreek hier niet over de ene provincie of bevolkingscategorie of de andere. Ik beperk me hier in feite tot wat we weten over onbewuste discriminatie.

De heer Van Kesteren (PVV): Ik zou mevrouw Prast willen vragen of er geen voorbeelden of situaties bekend zijn van vrouwen in Nederland die nauwelijks de kans krijgen om überhaupt de deur uit te komen, om überhaupt een opleiding te volgen, laat staan te gaan solliciteren op de functies waar zij voor pleit.

Mevrouw Prast (PvdD): Dat zou heel goed kunnen.

De voorzitter: Tot slot, meneer Van Kesteren.

De heer Van Kesteren (PVV): Maar u weet dat niet?

Mevrouw Prast (PvdD): Ik heb mij daar niet in verdiept.

De voorzitter: Vervolgt u uw betoog.

Mevrouw Prast (PvdD):

Sinds 2013 geldt een wettelijk streefcijfer van 30% voor vrouwen in de top van het bedrijfsleven. Voordien was al heel lang duidelijk dat dat eraan zat te komen. Het bedrijfsleven heeft dus heel lang de tijd gehad om vrijwillig een evenwichtige man-vrouwverhouding te realiseren, maar het heeft die tijd niet benut. Eind 2019 bestond een kleine 70% van de raden van bestuur en 43% van de raden van commissarissen geheel uit mannen en nul vrouwen.

De minister kan dan ook rekenen om de steun van mijn fractie, maar ik heb nog wel enkele vragen voor haar. Het wetsvoorstel voorziet in een minimum van een derde voor elk van beide seksen, zonder specificatie van nationaliteit. Is de minister het met mij eens dat we moeten voorkomen dat we straks eventueel rvc's en niet-uitvoerende besturen hebben waarvan de mannen vooral Nederlanders en de vrouwen vooral niet-Nederlanders zijn, omdat we in Nederland geen geschikte vrouwen zouden hebben? Zo ja, is zij bereid rvc's en niet-uitvoerende besturen te vragen ernaar te streven dat de verhouding Nederlands-niet-Nederlands bij vrouwen net zo hoog is als bij mannen, bijvoorbeeld via pas-toe-of-leg-uit?

Het wetsvoorstel is beperkt tot rvc's. Volgens het SER-advies is dat omdat rvc's voor hun rvb eerst zoeken naar mensen uit de eigen subtop. Het aantal vrouwen daarin is nog geen 20%. Maar, zo vraag ik de ministers, onder die 20% vrouwen in de subtop moeten toch geschikte bestuurskandidaten zitten? En het staat rvc's toch vrij om bestuurders buiten de eigen organisatie te werven? Ik heb mijn oor in de aanloop naar dit debat te luisteren gelegd bij meerdere vooraanstaande headhunters. Zij geven aan dat er meer dan genoeg geschikte vrouwen voor topposities zijn. Zou de minister nog eens kunnen toelichten waarom zij niet kiest voor dwang op het gebied van de rvb's?

Volgens het wetsvoorstel rapporteren de bedrijven jaarlijks aan de SER over het proces, de inzet en de resultaten van het quotum. De monitoring van de resultaten van het wettelijk streefcijfer vond de afgelopen jaren plaats door een onafhankelijke commissie, bestaande uit twee topvrouwen en een hoogleraar gespecialiseerd in de arbeidsmarkt. Waarom kiest de minister er niet voor om wederom een onafhankelijke monitoringcommissie in te stellen? Dat doen we in het algemeen in Nederland als we iets in kaart willen brengen. Bovendien zou er weleens de schijn van afhankelijkheid kunnen zijn en het is heel belangrijk dat monitoring onafhankelijk is. De ondernemersleden van de SER vertegenwoordigen een bedrijfsleven dat er niet in geslaagd is vrijwillig een evenwichtige m-v-verhouding te realiseren en de monitoringcommissie wijst erop dat binnen bedrijven werknemersvertegenwoordigers zoals de ondernemingsraad weinig werk maken van meer evenwicht aan de top. Bovendien zijn vrouwen bij de SER nog altijd ondervertegenwoordigd. Zo zijn 17 van de 22 ondernemersleden man. Kortom, waarom niet een onafhankelijke monitoringcommissie?

Voorzitter, dit was mijn laatste vraag. Ik zie uit naar de beantwoording van de ministers.