Bijdrage Nicolaï (PvdD) Wijziging van de Wet op de inlich­tingen-en veilig­heids­diensten 2017


8 juni 2021

Voorzitter,

Dank U.

Voorzitter twee weken geleden debatteerden wij hier over de testwet en de quarantainewet.

Wij, senatoren, ontvingen honderden e-mails van bezorgde burgers. Naar wat voor samenleving zijn wij op weg, vroegen zij. Een samenleving waarin mede-burgers als potentieel gevaar moeten worden gezien. Een samenleving waarin je je gezondheid moet bewijzen. Een soort omkering van de bewijslast, iets van “bewijs maar dat je niet schuldig bent”.

Voorzitter,

Stelt u zich voor. Je maakt deel uit van een groepje studenten die een werkgroep gaan volgen. En dan komt er iemand binnen, die niemand kent. Komt dan vanzelf bij iedereen tegenwoordig de gedachte op: “Hé, is die wel getest?”.

Misschien vraagt iemand het hem wel, maar weigert hij op de vraag een antwoord te geven.

Voelt de rest zich dan ongemakkelijk? En nemen ze hem misschien kwalijk dat hij zich niet heeft laten testen, want minister Van Engelshoven had op de website nog zo gezegd dat door zich te laten testen “studenten onderdeel zijn van de oplossing bij het tegen gaan van de pandemie”.

Voorzitter,

Gaan we nog wel uit van de onschuld van onze medeburgers?

Voorzitter,

Minister Van Engelshoven en de minister hier aanwezig, maken beiden deel uit van een politieke partij sinds haar oprichting stond voor een andere samenleving. Een gemeenschap die onderdeel uitmaakt van een beschaafd Europa, dat al weer decennia geleden het Europese verdrag voor de fundamentele rechten van de mens tot stand bracht. Een verdrag waarin de vrijheid van de burger voorop staat en zijn grondrechten worden beschermd. Een verdrag dat uitgaan van onschuldige mensen en niet van burgers die bij voorbaat als crimineel, als terrorist of als besmettelijk persoon worden aangemerkt totdat zij hun onschuld of gezondheid hebben bewezen.

Daarom, voorzitter, voel ik mij vrij om de minister hier aanwezig een fundamentele vraag voor te leggen nu wij een Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bespreken die het gevolg is van de afwijzing bij referendum van de zogeheten sleepwet.

Voorzitter,

Precies twee weken geleden deed de Grand Chamber van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een belangrijke uitspraak die betrekking heeft op de zogeheten ‘bulk-interceptie’ door veiligheidsdiensten.

Nadat Edward Snowden gelekt had dat de Britse geheime dienst communicatie van miljoenen onschuldige burgers onderschept en geanalyseerd had, waren daarover klachten ingediend.

De Grand Chamber van het Eurpese Hof oordeelde dat de wettelijke regeling voor en het optreden van de geheime dienst in strijd waren met artikel 8 EVRM (privacy) en ook met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting, want journalisten waren ook onderzocht).

Ik kom zo nog op die uitspraak.

Ik wil beginnen met een citaat uit een dissenting opinion van één van de rechters, die vond dat de uitspraak niet ver genoeg ging omdat aan de meest fundamentele vraag voorbij was gegaan.

Ik citeer de Portugese rechter Pinto de Alburquerque:

Het toelaten van niet-gerichte bulkonderschepping betekent een fundamentele verandering in de manier waarop preventie en onderzoek van criminaliteit en het werk van inlichtingendiensten in Europa beschouwen, van het focussen op een verdachte die kan worden geïdentificeerd tot het behandelen van iedereen als een potentiële verdachte, wiens gegevens moeten worden opgeslagen, geanalyseerd en geprofileerd.

Natuurlijk zou de impact van een dergelijke verandering op de onschuldigen uiteindelijk kunnen worden verzacht (hij doelt daar op toezichthouders en een overvloed van beperkende regels…) maar een samenleving die op zulke fundamenten is gebouwd, lijkt meer op een politiestaat dan op een democratische samenleving. Dit zou het tegenovergestelde zijn van wat de Founding Fathers van Europa wilden toen ze het verdrag in 1950 ondertekenden.”

Voorzitter,

Hoe zouden de founding fathers van D66 over dit oordeel van deze dissidente rechter hebben geoordeeld?

Laat ik de vraag eens voorleggen aan de minister, hier aanwezig.

Vraag 1

Bent u het met de fractie van de PvdD eens dat voorafgaande aan de vraag of we een sleepwet en een wet voor bulkinterceptie door veiligheidsdiensten goed in elkaar hebben gezet, de fundamentele vraag aan de orde is of dat instrument als zodanig wel past bij een samenleving waarin gezondheid en onschuld moeten worden verondersteld?

Vraag 2

En is de minister het met ons eens dat eerst moet zijn aangetoond dat onze veiligheidsdiensten hun werk niet goed kunnen doen als zij geen sleepnet mogen uitgooien en zogeheten ongerichte bulk-interceptie mogen toepassen?

Is deze minister dat antwoord niet schuldig aan al die burgers die in het referendum de sleepwet afwezen?

Vraag 3

Voorzitter, laat ik het nog sterker vragen: kan de minister mij drie voorbeelden noemen van een belangrijke actie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ter bescherming van onze vrijheid die niet had kunnen worden uitgevoerd als zij het instrument van niet-gerichte bulkdata-interceptie niet hadden mogen hanteren?

Voorzitter,

De Partij voor de Dieren hecht sterk aan de persoonlijke vrijheid en aan het waarborgen van grondrechten.

Kan de minister van een partij die ‘democraten’ in haar naam voert, zich op dit punt aan onze zijde voegen?

Ik hoor graag haar reactie op de drie vragen.

Voorzitter,

De uitspraak van de Grand Chamber van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens erkent overigens de noodzaak van bulkinterceptie en focust vooral op de waarborgen die de overheid wettelijk dient te creëren.

Daarin gaat het Hof zeer ver. In dat kader komt de vraag op of de huidige Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, het ontwerp dat vandaag voorligt en ook de voorstellen van de Evaluatiecommissie wel op alle punten voldoen aan de eisen die het Hof in deze baanbrekende uitspraak preciseert.

Prof. Dommering, die bij de Evaluatiecommissie betrokken was, heeft zich gehaast om onze Kamer van een notitie te voorzien, waarin hij concludeert dat wat de Evaluatiecommissie voorstelt, in overeenstemming is met wat in de 67 pagina’s van de uispraak van het Hof is neergelegd.

Voorzitter,

Ik betwijfel dat.

Het is hier niet de plaats om in een juridische discussie te gaan, en evenmin om nu op dit moment van de minister te verlangen om gemotiveerd aan te geven wat uit de uitspraak voortvloeit voor een oordeel over de rechtmatigheid van de huidige wetgeving en het voorstel van de Evaluatiecommissie.

Maar dat daar goed op gestudeerd zal moeten worden, lijkt onze fractie vanzelfsprekend.

En dat onze Kamer daarover geïnformeerd wordt evenzeer.

Voorzitter,

Vraag 4

Is de minister bereid om een extern en onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door een commissie van deskundigen naar de vraag of de huidige Wiv (inclusief de wijziging die vandaag voorligt) en het voorstel van de Evaluatiecommissie Wiv voldoen aan de eisen die door de EHRM in haar uitspraken van 25 mei 2021 inzake Big Brother Watch en Råttvisla worden geformuleerd en de Kamer van de resultaten daarvan op de hoogte te stellen?

Ik overweeg op dat punt een motie.

Voorzitter,

Bij de schriftelijke voorbereiding van het wetsontwerp dat heden voorligt, heeft de fractie van de Partij voor de Dieren kritiek geuit op het feit dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten een tandeloze commissie is. Alleen haar afdeling klachtbehandeling heeft bevoegdheden om in te grijpen. De afdeling die met toezicht is belast mag slechts aanbevelingen doen.

Onze fractie vindt dat onbegrijpelijk en ook in strijd met de rechtsstatelijke waarborgen waar wij, en naar ik hoop ook de minister hier aanwezig, voor staan.

Als de commissie oordeelt dat een bevoegdheid door de AIVD of de MIVD onrechtmatig is gebruikt, dan dient in een rechtsstaat de toezichthouder toch de bevoegdheid te hebben om dwingend te kunnen bepalen dat de uitoefening van de bevoegdheid dient te worden beëindigd (en lopend onderzoek dient te worden gestaakt) en ook dat de door de diensten onrechtmatig verwerkte gegevens moeten worden verwijderd en vernietigd.

Voorzitter,

Het EHRM in de Big Brother Watch-zaak geeft in overweging 361 acht stevige waarborgen, waaronder

7. the procedures and modalities for supervision by an independent authority of compliance with the above safeguards and its powers to address non-compliance;

8. the procedures for independent ex post facto review of such compliance and the powers vested in the competent body in addressing instances of non-compliance.

Het kan toch niet zijn dat het Hof met het begrip “power” doelt op het doen van aanbevelingen?

Met het doen van aanbevelingen die genegeerd kunnen worden, heeft een toezichthouder geen juridische bevoegdheid om te reageren op inbreuken op wettelijke waarborgen?

Voorzitter,

In discussies over de power-loze positie van het CTivd wordt steevast opgemerkt dat tot nu toe de minister toch altijd de aanbevelingen gevolgd heeft.

Dat is mooi.

Maar als dat zo is, wat is er dan op tegen om die commissie doorzettingsmacht te geven.

Dat maakt dan toch niet uit, want de minister volgt toch altijd al de aanbevelingen …

Voorzitter,

Los van de vraag of de uitspraak in de Big Brother Watch-zaak meebrengt dat aan het CTivd doorzettingsmacht zou moeten toekomen – een vraag waarover de door mij bedoelde deskundigencommissie zich ook zou kunnen buigen – hebben we ook nog de Europese Conventie 108+ die Nederland nog niet geratificeerd heeft: de Modernised Convention for the Protection of Individuals with Regard to the Processing of Personal Data.

Voorzitter,

Vraag 5

Kan de minister bevestigen dat de regering gaat voorstellen aan het parlement om de Conventie 108+ te ratificeren? Op welke termijn kan wat worden verwacht?

Artikel 15 van de Conventie 108+ is duidelijk:

Ik citeer:

Each Party shall provide for one or more authorities to be responsible for ensuring compliance with the proc]visions of this Convention.

To this end, such authorities

… shall have powers to issue decisions with respect to violations of the provisions of this Convention and may, in particular, impose administrative sanctions.

Voorzitter

Vraag 6

Kan de minister bevestigen dat in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten aan de CTivd. Afdeling toezicht, dezelfde bevoegdheden dienen toe te komen als die welke in artikel 124, lid 4 aan de Afdeling klachtbehandeling zijn toebedeeld en dat de minister gehouden dient te zijn het oordeel van de CTivd uit te voeren?

Vraag 7

Is de minister bereid om een commissie van deskundigen te laten beoordelen of op grond van Conventie 108+ en/of de rechtspraak van het EHRM aan de CTivd, Afdeling toezicht, doorzettingsmacht dient toe te komen indien een toepassing van de Wiv onrechtmatig door haar wordt geoordeeld? Ik overweeg op dat punt een motie.

Ik zie met belangstelling uit naar de beantwoording van mijn vragen. Voor de fractie van de Partij voor de Dieren staat het waarborgen van grondrechten en van persoonlijke vrijheid voorop.

Ik dank u.