Bijdrage Mestdebat


10 december 2013

Voorzitter,

Ik spreek vandaag mede namens de fracties van SP en OSF, mede als gevolg van de ontijdige aankondiging van dit debat.

De voorgeschiedenis van dit debat over de meststoffenwet verdient allesbehalve de schoonheidsprijs.

De staatssecretaris heeft vandaag op verzoek van de Kamer aangegeven dat het wat haar betreft zeer noodzakelijk is de wet per 1 januari in werking te laten treden, waardoor we hier te elfder ure met elkaar in debat moeten nadat de staatssecretaris alle tijd genomen heeft voor de beantwoording van onze vragen in de memorie van antwoord.

Het heeft er alle schijn van dat de wet met stoom en kokend water door de Kamer moet en dat snelheid prioriteit krijgt boven zorgvuldigheid.

De chambre de reflexion moet kennelijk in een reflex reageren op het voorliggende wetsvoorstel, en dat valt zeer te betreuren.

Voorzitter, dit dossier stinkt, letterlijk! Nederland weet zich geen raad met de 70 miljard kg mest die hier geproduceerd wordt, 4.000 kg per Nederlander, pakweg 60x je eigen gewicht in poep. 200 mestpoppen van je eigen postuur in de voortuin van elke doorzonwoning.

Een enorme belasting voor de waterkwaliteit, de bodem, natuurgebieden en de oorzaak van problemen als ganzenoverlast, fosfaattekorten, niet sluitende mineralenkringlopen. Kijken we naar de stikstofkaart van Europa dan is Nederland een inktzwarte plek, het vieste jongetje van Europa.

Die enorme productie van mest vloeit voort uit onze ambitie de slager en melkboer van de wereld te willen zijn, een ambitie die de VVD partijraad afgelopen zaterdag nog maar eens herhaald heeft, tegen de uitdrukkelijke opvatting van de politiek leider van de VVD de heer Rutte in.

Voorzitter, toen minister Veerman aan het einde van zijn ambtsperiode gekomen was (politici komen zelden tot voortschrijdende inzichten tijdens hun ambtsperiode), schetste hij het mestprobleem zeer trefzeker. Hij zei: het systeem is vastgelopen. We importeren veevoer in enorme hoeveelheden, we exporteren varkens in enorme hoeveelheden, en de rommel, de mest houden we hier.

Voorzitter, de afzichtelijke omvang van de Nederlandse bio-industrie, 500 miljoen dieren die lijden en sterven na een kort en ellendig leven, vaak in potdichte stallen zorgt ervoor dat jaarlijks minstens 1,75 miljard euro aan kosten door de veehouderij afgewenteld op de

samenleving, verlies van biodiversiteit, stankoverlast, klimaatverandering, subsidies en warme sanering etc. nog niet eens meegerekend.

Om de export te beschermen hebben in het recente verleden varkenspest (1997), mond- en klauwzeer (2001) en vogelpest (2003) de belastingbetaler aI milarden (2,5) euro’s gekost.

En hoewel de commissie Wijffels in 2001 bepleitte de omvang, de nadelige gevolgen en de maatschappelijke kosten van de intensieve veehouderij drastisch in te perken, en die visie destijds door het kabinet gedeeld werd, heeft de ontwikkeling naar schaalvergroting zich alleen maar doorgezet.

Voorzitter, dat kan te maken hebben met de tweeslachtigheid die veel politici kenmerkt afhankelijk van de positie die ze innemen. Kamerlid Dijksma diende in 2011 nog een motie in om paal en perk te stellen aan megastallen, maar nu ze twee jaar later de gelegenheid die motie uit te voeren als lid van het kabinet dat zich over dit onderwerp niet heeft uitgesproken in het regeerakkoord, doet ze het tegenovergestelde.

Sterker nog, een recent aan de overzijde ingediende motie die gelijkluidend was aan haar eigen motie uit 2011 ontraadde de staatssecretaris. Een megamorfose die de geloofwaardigheid van de politiek niet ten goede komt en waarop onze fracties graag een toelichting zouden hebben van de staatssecretaris gelet op de implicaties voor dit debat.

Voorzitter, de capaciteit voor de verwerking van mest is op dit moment nog veel te klein, en de vergunningverlening van nieuwe installaties gaat erg traag, omdat gemeenten huiverig zijn voor de milieu- , externe veiligheids- en volksgezondheidseffecten van mestverwerkingsinstallaties, en terecht zoals keer op keer blijkt. Voor veel boeren – vooral in het zuiden van Nederland- wordt het volgend jaar echt nagenoeg onmogelijk om aan de verplichting tot mestverwerking te voldoen. Meer tijd zou deze ondernemers heel erg welkom zijn. In die zin valt de haast van de staatssecretaris voor de inwerkingtreding van deze wet niet goed in te zien.

De huidige gebruiksnormen zullen gewoon blijven gelden – ook als de wet nu niet in werking treedt. Daaraan verandert dus niets, dus daar kan de noodzaak voor spoedige inwerkingtreding niet gezocht worden.

De grote vragen over de uitvoerbaarheid van de wet (kwaliteit wetgeving!) maken een zorgvuldiger behandeling dan nu mogelijk is, meer dan gewenst. Wanneer ook de Raad van State aangeeft grote zorgen te hebben over de kwetsbaarheid van de uitvoering van de Nitraatrichtlijn door de beperking van het ondersteunende instrumentarium beperkt de regering zich tot de stelling dat ze die zorgen niet deelt. Door bij het vaststellen van de mestverwerkingspercentages rekening te houden met de productieomvang van en de plaatsingsruimte voor dierlijke mest, wordt bewerkstelligd dat de hoeveelheid dierlijke mest die niet in Nederland plaatsbaar is, buiten de Nederlandse landbouw blijft. De verantwoording van de rest van het overschot en de naleving van de mestverwerkingsplicht worden geborgd binnen het bestaande systeem met betrekking tot verantwoording van mestaf- en -aanvoer.

Dat is nu exact des poedels kern, voorzitter. In agrarische kringen wordt hartelijk gelachen om de mestwet omdat er legio risicoloze ontduikingsmogelijkheden zijn.

'Frauduleus handelen in mest mag niet leiden tot straf voor telers die het goed doen', zei LTO-voorman Jaap Haanstra afgelopen weekend in de agrarische pers. Te veel mest heeft volgens hem geen juiste registratie. 'In bepaalde delen van Nederland is 40 procent van de mest zwart.'

In een aantal gebieden in Nederland is de nitraatnorm van 50 milligram per liter in het grondwater lastig haalbaar. De overheid heeft plannen om op deze (zand)gronden de stikstofnorm bij aardappelen met 20 procent te verlagen. Is dat zo, vraag ik de staatssecretaris?

Volgens de LTO voorman ligt een deel van de oorzaak bij het niet volgens de regels toedienen van dierlijke mest. ‘Daardoor worden de goede boeren met de kwade gestraft. Dat is niet terecht.'

Er zijn volgens LTO legio voorbeelden van frauduleus handelen. Bijvoorbeeld gronden die in Noord-Nederland zijn aangekocht om overschotten af te zetten, maar waar nooit drijfmest op komt. Of mest die alleen in theorie de grens over gaat.

Inmiddels zeer bekend, maar slechts het topje van de mesthoop is het verhaal van Niels Lentjens, de ondernemende scholier die op 15 jarige leeftijd 650.000 ton drijfmest verdonkeremaande, en daar miljoenen mee verdiende. In drukke tijden reed hij 1500 vrachten per week en hij verdiende met zijn bemiddeling om de mest onder het tapijt te vegen een euro per ton, een jaarinkomen van € 650.000,- voor een scholier die nog te jong is om een brommer te mogen rijden.

En het viel de toezichthouders eigenlijk pas op toen er pochend over de grote mestverdwijntruc bericht werd in het blad Boer&Business, waarna er 800 boetes werden opgelegd aan Niels Lentjens van in eerst aanleg een miljoen euro, waardoor de jonge ondernemer inmiddels failliet is en bestuurlijk aansprakelijk gesteld.

Voorzitter, ik sta zo uitgebreid stil bij deze kwestie, omdat ermee aangetoond wordt dat het frauderen met mest uitermate lucratief is en de pakkans klein. Je moet wel heel hard pochen om gepakt te worden.

Los van dit voorval werden er in 2011 volgens Dienst regelingen voor 1,6 miljoen euro aan boetes opgelegd, waarbij er vrijwel uitsluitend boekhoudkundige controles plaatsvonden. Daarin blijft onzichtbaar dat boeren goedkope grond kopen of huren, op schrift zeggen dat de mest daar heen gaat, terwijl ze in werkelijkheid de mest op hun eigen land gooien.

En dat gebeurt ook tussen boeren onderling. Ik heb het recent gehoord van een natuurboer die nog mestruimte had, die hij op papier aan zijn buurman overdroeg (tegen een vergoeding uiteraard), maar dat die buurman de mest gewoon op zijn eigen land uitreed, en dus meer mest gaf dan mag. De natuurboer zei besmuikt: 'ik wil die rotzooi van hem niet op mijn land hebben.'

Ook met export wordt er op grote schaal gerommeld, terwijl de staatssecretaris in de memorie van antwoord juist aangeeft dat haar hoop op die export gericht is. Geldt die hoop, of moet ik zegen mesthoop, ook mest die alleen op papier geëxporteerd wordt? Graag een reactie.

Op welke manier wil de staatssecretaris sluitende controle mogelijk maken in een sector waarin op het gebied van mestverwerking fraude eerder regel dan uitzondering lijkt?

Voorzitter, er is in de Tweede kamer vandaag een brief gevraagd aan de staatssecretaris over de mestfraude – met daarin ook het verzoek of de staatssecretaris kan aangeven hoeveel % van de Nederlandse mest volgens betrouwbare schattingen zwart wordt afgezet, waarbij de schattingen van LTO dus al oplopen tot maar liefst 40%. Kan de staatssecretaris toezeggen dat wij een afschrift van die brief kunnen ontvangen voorafgaand aan de stemmingen over deze wet volgende week?

In de memorie van antwoord stelde de staatssecretaris nog “op welke schaal fraude met de aan- en afvoer van mest plaatsvindt is niet vast te stellen.” Kan de staatssecretaris helder uiteen zetten wat de nieuwe wet voor zin heeft als die kennelijk niet handhaafbaar is? Juist het toetsen van de handhaafbaarheid is een belangrijke taak in dit huis. Kan de staatssecretaris aangeven waarom ze met spoed een wet aangenomen wil hebben waarvan ze zelf vindt dat die niet handhaafbaar is?

En deelt de staatssecretaris de mening van onze fracties dat de toegezegde ex-ante evaluatie van de wet, zeker gelet op de zorgen van de Raad van State, ruim voor de stemming over de wet van volgende week aan de beide kamers ter hand gesteld zouden moeten worden om tot een deugdelijke afweging te komen? Graag een reactie, inclusief toezegging, zodat fracties in dit huis kunnen afwegen of ze bereid en in staat zijn te stemmen over een wet waarvan de toegezegde ex-ante evaluatie nog ontbreekt. Bent u met ons van mening dat de in het vooruitzicht gestelde inschattingen van het Planbureau voor de Leefomgeving en het RIVM niet zouden mogen ontbreken bij het maken van een gefundeerde afweging?

Voorzitter, tot slot, het kabinet zet in op afschaffing van het stelsel van dierrechten. Om misverstanden te voorkomen, dierrechten hebben niets van doen met rechten van dieren of rechten voor dieren, maar geven aan hoeveel dieren een veehouder mag houden.

Nu zijn de aantallen te houden dieren nog gebonden aan een plafond, als het aan het kabinet ligt wordt dat plafond per 2015 vrijgegeven, waarmee dus niet alleen het aantal te houden dieren zou kunnen exploderen, maar ook de hoeveelheid in Nederland geproduceerde hoeveelheden mest.

De voorliggende wet beoogt verplichte mestverwerking in termen van milieugebruiksruimte als uitgangspunt te kiezen om de omvang van de veehouderij te reguleren, maar een sector die van zichzelf vaststelt dat er sprake is van grootscheepse fraude en een staatssecretaris die zegt dat de omvang van die fraude niet is vast te stellen, doen het ergste vrezen op het moment dat de invoering van deze wet de opmaat is van het loslaten van het dierrechtenstelsel.

Dat zou nog een goed argument kunnen vormen voor de Eerste kamer om niet in te stemmen met dit wetsvoorstel, zeker niet voorafgaand aan de beloofde ex-ante evaluatie en voorafgaand aan een sluitend controlestelsel dat de omvang van fraude op z’n minst in kaart kan brengen, maar ook de pakkans bij fraude groot en risicovol maakt.

Zonder sluitend controlesysteem is deze wet niet uitvoerbaar, en wetten die niet uitvoerbaar zouden logischerwijs niet behoren te worden aangenomen. Onze fracties zien de beantwoording van onze vragen door de staatssecretaris met belangstelling tegemoet. Ze willen zwaar meewegen bij het stemgedrag over de wet volgende week.

Dank u wel.