Vragen van Nicolaï (PvdD) over Tijde­lijke wet digitale beraad­slaging en besluit­vorming


Indiendatum: 24 nov. 2020

De fractieleden van de PvdD hebben met belangstelling kennis genomen van de brief van de minister van 10 november 2020 waarin het voornemen wordt uitgesproken de werking van de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming provincies enz.’ tot 1 maart 2021 te verlengen.

Twee weken eerder werd de werking van de wet al verlengd tot 1 januari 2021.

Naar aanleiding van de brief hebben de leden van de fractie van de PvdD de volgende vragen. Verzocht wordt de vragen afzonderlijk te beantwoorden

1. De wet heeft een tijdelijke duur en omvat de mogelijkheid tot verlenging met twee maanden. Is de regering het met de fractieleden eens dat uit het wettelijk stelsel volgt dat pas tot verlenging mag worden besloten kort voordat de werking teneinde loopt en met het oog op de feitelijke situatie die op dat moment heerst? Zo nee, op grond van welke argumentatie komt zij tot haar oordeel? Zo ja, hoe verhoudt zich daarmee dat op 10 november, dus aan het begin van de looptijd tot 1 januari 2021 al overwogen wordt tot verlenging met een periode tussen 1 januari 2021 en 1 maart 2021?

2. In de brief wordt verwezen naar “een cyclische behoefte aan digitaal vergaderen tot er een structurele oplossing voor Covid-19 is gevonden”.

Wat wordt hiermee bedoeld?

3. Acht de regering het besluit tot verlenging tussen 1 januari 2021 en 1 maart 2021 rechtens juist gemotiveerd indien eind december 2020 de kans op verspreiding van Covid-19 zodanig is afgenomen dat met inachtneming van door het RIVM wenselijk geachte voorwaarden weer fysiek kan worden beraadslaagd?

Zo ja, op grond van welke argumentatie komt zij tot haar oordeel? Zo nee, hoe verhoudt dat oordeel zich tot het in november 2020 aannemen van een rechtmatige grondslag voor verlenging voor een periode in het daarop volgende jaar?

4. Is de regering het met de fractieleden eens dat het – mede in het licht van het bepaalde in artikel 129, zesde lid, en 132, eerste lid van de Grondwet - een taak van de centrale overheid is om het stemmen door leden van de gemeenteraad, het quorumvereiste en de wijze van besluitvorming door gemeenteraden bij wet te regelen en niet over te laten aan de “lokale autonomie”? Zo nee, op grond van welke argumentatie komt zij tot haar oordeel? Zo ja, hoe verhoudt zich dat oordeel tot het antwoord dat is gegeven op vraag 6a van de fractieleden zoals vervat in het verslag van het nader schriftelijk overleg van 28 oktober 2020?

5. Uit welke bepaling in de Tijdelijke wet volgt dat een gemeenteraad bij beantwoording van de vraag of van het principe “fysiek vergaderen blijft de norm” mag worden afgeweken, relevant mag achten welke kosten zijn verbonden aan het eventueel huren van een andere vergaderruimte waarbij wel de afstand-norm of andere RIVM-voorschriften kunnen worden nageleefd?

6. Uit welke bepaling in de Tijdelijke wet volgt dat een gemeenteraad bij beantwoording van de vraag of van het principe “fysiek vergaderen blijft de norm” mag worden afgeweken, relevant mag achten of een of meer raadsleden wegens het in quarantaine moeten gaan, een fysieke vergadering niet kunnen bijwonen. Indien de regering van oordeel is dat die overweging een rol mag spelen, mag dan ook besloten worden om digitaal te vergaderen in een geval waarin er geen sprake is van quarantaine of isolatie van leden maar wel van de onmogelijkheid van een lid om aan een fysieke vergadering deel te nemen wegens een andere ziekte?

7. In antwoord op vraag 3 van de fractieleden zoals vervat in het verslag van het nader schriftelijk overleg van 28 oktober 2020 erkent de regering dat de evaluatiecommissie heeft gesignaleerd dat “onder volksvertegenwoordigers de wens het grootst is terug te keren naar fysieke vergaderingen”.

Kan de regering aan die wens tegemoet komen door aan te bieden om eventuele kosten voor haar rekening te nemen bij huur van een andere vergaderruimte waarbij wel de afstand-norm of andere RIVM-voorschriften kunnen worden nageleefd?