Vragen van Nicolaï (PvdD) over door niet-inge­ze­tenen gekozen kies­college voor de verkiezing van de Eerste Kamer


Regering creëert ongelijke kies­rechten

Indiendatum: 23 jun. 2020

Indien de Grondwet voorziet in indirecte verkiezingen van de Eerste Kamer door Provinciale Staten die door ingezetenen worden gekozen, waarom is er dan sprake van een ‘onevenwichtigheid’ indien niet-ingezetenen die wel aan de Tweede Kamer-verkiezingen mogen deelnemen, “geen invloed hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer”, zoals de regering dat vooropstelt in de memorie van toelichting? Ingezetenen van Nederland hebben toch ook geen invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer, nu zij immers geen invloed hebben op het stemgedrag van leden van de Provinciale Staten? Is de door de regering bedoelde ‘onevenwichtigheid’ niet eenvoudig het gevolg van een regeling in de Grondwet die uitgaat van indirecte verkiezingen? Provinciale Staten hebben grondwettelijk bevoegdheden met betrekking tot het bestuur van de provincie en met het oog daarop zijn er verkiezingen van leden van dat college. Niet-ingezetenen kiezen straks voor de Eerste Kamer zonder dat zij een keus uitbrengen voor vertegenwoordiging van hun belangen in het kader van het bestuur van een provincie. Hun recht is dus naar aard en omvang verschillend van het recht van ingezetenen die voor een provinciaal bestuur kiezen. Kan de regering aangeven in hoeverre hier sprake is van ongelijke behandeling en het creëren van ongelijke kiesrechten? Een ingezetene die kiest voor Provinciale Staten en een lid verkiest met het oog op een bepaald beleid dat deze voorstaat in de provincie, heeft niet de mogelijkheid om daarnaast een stem uit te brengen op een andere ‘kiesman’ die hij prefereert met het oog op de verkiezing van de Eerste Kamer waarmee hij invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de Eerste kamer. Die laatste mogelijkheid om bij het uitbrengen van zijn stem uitsluitend op de samenstelling van de Eerste kamer te letten, krijgt de niet-ingezetene in het onderhavige voorstel wel. Kan de regering nog eens aangeven hoe zich dit verdraagt met artikel 4 van de Grondwet? Is de regering het met de fractie van de PvdD eens dat de enige wijze waarop de door haar geconstateerde ‘onevenwichtigheid’ binnen het grondwettelijk stelsel en met inachtneming van artikel 4 van de Grondwet zou zijn op te lossen, het invoeren van directe verkiezingen van de Eerste kamer zou zijn?