Vragen Nicolaï (PvdD) over het wets­voorstel tot goed­keuring van de verlenging van de Tijde­lijke wet Covid-19


Indiendatum: feb. 2022

Inbreng PvdD bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van de verlenging van de Tijdelijke wet Covid-19

Vraag 1

De Tijdelijke wet Covid-19 wordt nu voor de vierde keer verlengd. De Eerste Kamer heeft telkens over de verlenging kunnen besluiten pas op een moment dat de duur van de verlenging waarover beslist werd, reeds ongeveer ten einde liep.

De Tijdelijke wet Covid-19 bevat bevoegdheden waarvan het gebruik kan leiden tot ernstige beperkingen van grondrechten. Het is een primaire taak van de Eerste Kamer om de rechtsstatelijkheid van wetten te beoordelen.

Acht de regering het in overeenstemming met de basiseisen van rechtstaat en democratie dat de Eerste Kamer haar primaire taak niet naar behoren kan en ook niet heeft kunnen uitoefenen bij het beoordelen van de wetsvoorstellen tot goedkeuring van Koninklijke besluiten tot verlenging van de Tijdelijke wet Covind-19?

Vraag 2

Het amendement Westerveld cs dat in het bij de Kamer aanhangige wetsvoorstel is opgenomen, werd ondersteund door de regeringspartijen en is niet door de regering ontraden.

Is de minister van oordeel dat het amendement voor de Eerste Kamer betere mogelijkheden opent om haar taak om grondrechtbeperkende wetgeving op rechtsstatelijkheid te toetsen naar behoren te kunnen uitvoeren?

Zo ja, waarom heeft de regering dan niet zelf een vergelijkbaar wetsvoorstel daartoe ingediend op een zodanig moment dat de daarin vervatte regeling al voor de derde verlenging zou zijn gaan gelden?

Vraag 3

In oktober 2020 heeft de Tweede Kamer een motie aangenomen van het lid Hijink (SP) waarin verzocht is om de Wet publieke gezondheid aan te passen met bevoegdheden voor de bestrijding van epidemieën zodat niet op basis van een spoedwet maar op basis van normale wetgeving bevoegdheden zouden kunnen worden uitgeoefend. De regeringspartijen hebben voor die motie gestemd.

Wat heeft de regering ondernomen om tot spoedige uitvoering van die motie te komen?

Vraag 4

De nu geldende Tijdelijke wet Covid-19 beperkt de rechten van de Eerste Kamer in zie zin dat ministeriele regelingen ter uitvoering van de wet geen goedkeuring behoeven van de Eerste Kamer.

Acht de minister onder de huidige omstandigheden die beperking van de rechten van de Eerste Kamer, die bij aanvaarding van de nu voorgestelde verlenging nog tot 1 juni 2022 zullen blijven gelden, uit een oogpunt van rechtsstatelijkheid en democratie te verantwoorden?

Vraag 5

Het amendement Westerveld betreft geen wijziging van de inhoud van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het verlengings-KB maar een wijziging van de

Tijdelijk wet Covid-19. Dat roept de vraag op of de Tweede Kamer buiten de bevoegdheid tot wijziging als bedoeld in artikel 84, eerste lid van de Grondwet is getreden.

Uit de tekst van die bepaling zou kunnen worden opgemaakt dat de bevoegdheid tot wijzing uitsluitend “het voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning” kan betreffen en niet een andere wet. Zou de Tweede Kamer het wenselijk vinden om een andere wet te wijzigen, dan ontleent zij aan artikel 82, eerste lid van de Grondwet de bevoegdheid om zelf een wetsvoorstel in te dienen. In dat geval geldt voor dat voorstel uit hoofde van artikel 73, eerste lid, van de Grondwet de verplichting dat de Raad van State daarover wordt gehoord.

Uit de samenhang tussen artikel 82, eerste lid en 84, eerste lid van de Grondwet, mede in het licht van de in artikel 73, eerste lid van de Grondwet opgenomen verplichting, zou kunnen worden afgeleid dat het recht om bij amendement een wetsvoorstel te wijzigen niet mag worden gebruikt om een wijziging aan te brengen in een andere wet, welke wijziging immers – indien de Tweede Kamer die wijziging wenselijk vindt - via de weg van een initiatief-wetsvoorstel – waarvoor de eis geldt dat de Raad van State wordt gehoord - dient plaats te vinden.

Kan de minister een oordeel geven over de vraag of het aannemen van het amendement Westerveld zich verdraagt met het Grondwettelijk stelsel?

En kan de minister daarbij betrekken dat bij een ontkennende beantwoording het voortaan ook toelaatbaar zal zijn dat bijvoorbeeld een wetsvoorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet notificatieapplicatie Covid-19 wordt geamendeerd met een wijziging van bijvoorbeeld artikel 15a van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg, of dat – een voorbeeld buiten het beleidsterrein van de minister – een wetsvoorstel tot wijziging van de Huisvestingswet wordt geamendeerd met een wijziging van de Huurwet.

Vraag 6

Is de Eerste Kamer bevoegd om het onderhavige wetsvoorstel te verwerpen op de enkele grond dat naar haar oordeel een met het grondwettelijk stelsel strijdige toepassing is gegeven aan artikel 84, eerste lid van de Grondwet?

Kan de minister bij zijn motivering betrekken of artikel 9.6 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer de eisen die voortvloeien uit het samenstel van de artikelen 84, eerste lid, 82, eerste lid en 73 van de Grondwet, opzij kan zetten?