Vragen Nicolaï (PvdD) naar aanleiding van de brief dd. 7 februari 2022 inzake Konink­rijks­ge­schillen


Indiendatum: mrt. 2022

Vraag 1

De leden van de PvdD huldigen de volgende opvatting.

Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is bij wet van 28 otkober 1954 vastgesteld.

In de artikel 50 van de wet van 28 oktober 1954 worden bevoegdheden toegekend aan de Koninkrijksregering tot schorsing en vernietiging van wetgevende en bestuurlijke maatregelen in Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

In artikel 51 van de wet van 28 oktober 1954 wordt aan de Koninkrijksregering de bevoegdheid toegekend om in te grijpen bij taakverwaarlozing in Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

Uit deze wetsartikelen vloeit voort dat de Koninkrijksregering met openbaar gezag is bekleed.

Op grond van artikel 1:1 Awb treedt de Koninkrijksregering bij uitoefening van die bevoegdheden dus op als bestuurorgaan in de zin van de Awb.

Deelt de regering deze opvatting?

Vraag 2

De leden van de PvdD huldigen de volgende opvatting.

Het Koninkrijk der Nederlanden is een rechtspersoon. Het is immers ondenkbaar dat het Koninkrijk, waarvoor bij wet van 28 oktober 1954 een nieuwe rechtsorde is vastgesteld, in rechte geen (rechts)persoon zou zijn. Artikel 1 van die wet van 28 oktober 1954 regelt het bestaan en de omvang van het Koninkrijk, waarmee een juridische entiteit is geschapen.

Deelt de regering deze opvatting?

Vraag 3

In paragraaf 4 van de brief erkent de regering dat het mogelijk kan zijn via een Awb-procedure in beroep te komen tegen een besluit van de Koninkrijksregering., zij het dat het beroepsrecht beperkt zou zijn voor gevallen van toepassing van bevoegdheden die in een rijkswet zijn toegekend.

De bevoegdheid tot vaststelling van een rijkswet is niet opgenomen in de Grondwet maar in het Statuut. Als de uitoefening van een rijkswet-bevoegdheid wordt aangemerkt als uitoefening van openbaar gezag waarop de Awb van toepassing is, geldt dat dan niet ook voor de uitoefening van bevoegdheden die in de wet van 28 oktober 1954 tot vaststelling van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden zijn opgenomen?

Vraag 4

Kan naar Nederlands burgerlijk recht een staat, anders dat de Staat der Nederlanden, in rechte worden aangesproken ook als niet in het burgerlijk wetboek van Nederland of in de wetgeving van die staat is bepaald dat die staat over rechtspersoonlijkheid beschikt?

Zo ja, kan een andere staat dan de Staat der Nederlanden het Koninkrijk der Nederlanden in rechte aanspreken bij een burgerlijke rechter in Nederland

indien een vordering gegrond wordt op onrechtmatig handelen van het Koninkrijk der Nederlanden ook al is in het Burgerlijk Wetboek geen rechtspersoonlijkheid toegekend aan het Koninkrijk der Nederlanden.

Vraag 5

In paragraaf 5 van de brief stelt de minister dat hij niet met stelligheid durft te zeggen dat de Staat der Nederlanden niet kan worden aangesproken voor onrechtmatig handelen door (of naar aanleiding van een besluit van) de Koninkrijksregering. Mag hieruit worden afgeleid dat de juridische mogelijkheid bestaat dat de landen Aruba, Curaçao of Sint Maarten de Staat der Nederlanden in rechte kunnen aanspreken indien onrechtmatige uitoefening van in het Statuut toegekende bevoegdheden wordt gesteld?