Vragen Nicolaï (PvdD) met betrekking tot de verlenging van de DCC-veror­dening


Indiendatum: mrt. 2022

Vraag 1

In de aan de Tweede Kamer gerichte brief van 3 maart 2022 stelt het kabinet zich bij beantwoording van vraag 1 op het standpunt dat “COVID-19 de endemische fase nog niet heeft bereikt”, op grond waarvan het nog steeds een rechtsbasis voor de verlenging van de DCC-verordening aanwezig acht.

Vraag 1a.

Hoe verdraagt zich dat standpunt met het gegeven dat reeds nu is besloten dat met ingang van 24 maart a.s. alle covid-maatregelen komen te vervallen?

Vraag 1b.

Op grond van welke gegevens zal het kabinet kunnen concluderen dat de epidemische fase is overgegaan in een endemische fase?

Vraag 1c.

Staat het aan het kabinet vrij om te oordelen dat voor de toepassing van de DCC-verordening dient te worden uitgegaan van wijziging van de epidemische fase naar een endemische fase als de meerderheid van de lidstaten dat oordeel niet onderschrijft?

Vraag 1d.

Zijn er op dit moment lidstaten die oordelen dat met het oog op het intreden van een endemische fase op het moment van of na het verstrijken van de geldigheidsduur van de DCC-verordening, verlenging met een periode van 12 maanden niet proportioneel wordt geacht?

Vraag 2

Uit de beantwoording van de door de Tweede Kamer gestelde vragen alsmede uit de kabinetsappreciatie blijkt dat het kabinet op verschillende punten wijziging van de huidige DCC-verordening wenselijk of noodzakelijk acht.

Vraag 2a.

Deelt het kabinet het standpunt van de leden van de PvdD dat bij de afweging of meegewerkt mag worden aan een verlenging van de DCC-verordening mede moet worden betrokken of onderdelen van de verordening strijdig zijn met het proportionaliteitsvereiste of met het algemene rechtszekerheidsbeginsel?

Vraag 2b.

Welke van de op pagina 3 en 4 van de kabinetsappreciatie genoemde kritiekpunten werpen de vraag op of de huidige DCC-verordening voldoet aan de eisen die uit het proportionaliteits- en het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeien?

Vraag 3

Het kabinet heeft kritiek op het ontbreken van voldoende waarborgen voor de privacy. Zo stelt het kabinet in de appreciatie (pagina 3): “Ook wenst het kabinet meer duidelijkheid over hoe wordt gezorgd dat gegevens niet worden bewaard conform het verbod inzake de opslag van persoonsgegevens in artikel 10, lid 3, aangezien het verbod uiteenlopend wordt uitgelegd in lidstaten. Sommigen accepteren het uploaden van de DCCs met persoonsgegevens, waarbij onduidelijkheid kan ontstaan of de gegevens worden bewaard.”

Vraag 3a.

Welke lidstaten heeft het kabinet hierbij op het oog?

Vraag 3b.

Biedt die handelwijze de mogelijkheid dat in het systeem van gegevensverwerking ten behoeve van de DCCs door die lidstaten persoonsgegevens worden opgenomen die relevant zijn voor andere doeleinden dan de afgifte, verificatie en aanvaarding van inter-operabele vaccinatie, test- en herstelbewijzen?

Vraag 3c.

Is het mogelijk dat in de bedoelde lidstaten privacygevoelige gegevens van Nederlandse staatsburgers als gevolg van het ontbreken van voldoende waarborgen die zien op bewaring, opslag en vernietiging van persoonsgegevens, in handen komen van onbevoegden of van criminele organisaties? Zo ja, ziet het kabinet dan daarin niet al een grond om zich tegen verlenging uit te spreken. Zo nee, op grond van welke gegevens komt het kabinet tot dat oordeel?

Vraag 4

Op pagina 2 van de kabinetsappreciatie stelt het kabinet: “Deze noodzakelijkheids- en proportionaliteitsafweging dient telkens kritisch en zorgvuldig plaats te vinden. In de onderhandelingen zal het kabinet dan ook aangeven dat de verordening duidelijkheid dient te bieden over hoe wordt voorkomen dat onnodig gebruik wordt gemaakt van een DCC.”

Vraag 4a.

Gaat het kabinet ervan uit dat het mogelijk is dat lidstaten in de periode van gelding van de DCC-verordening een “onnodig gebruik” kunnen maken van een DCC?

Vraag 4b.

Hoe kan de door het kabinet gewenste duidelijkheid worden verkregen?

Vraag 5

In de ogen van de leden van de PvdD heeft het kabinet terecht aan de orde gesteld dat de juridische grondslag voor de gedelegeerde handeling 2288 gebrekkig is. De bedenkingen van het kabinet zijn echter niet gedeeld door de Europese Commissie en de door het kabinet noodzakelijk geachte verduidelijking is niet in de onderhavige wijziging meegenomen.

In de Raadswerkgroep van 4 maart jl. kondigde de Commissie aan dat er een zaak aanhangig is gemaakt bij het Gerecht van het Europees Hof van Justitie van de EU waarbij burgers de geldigheid van de vastgestelde gedelegeerde handeling betwisten.

Vraag 5a.

Zijn in die zaak dezelfde bezwaren naar voren gebracht als die welke het kabinet in haar bedenkingen heeft aangevoerd? Zijn er lidstaten die de bedenkingen van het kabinet delen?

Vraag 5b.

Heeft het kabinet aangegeven dat als de burgers gelijk krijgen maar dat niet leidt tot een herziening van de onderhavige wijziging, het kabinet zich tegen de verlenging zal uitspreken?

Vraag 6

In alle lidstaten bevinden zich groepen inwoners die op medische of levensbeschouwelijke gronden niet gevaccineerd zijn.

Vraag 6a.

Wat is er in de huidige DCC-verordening geregeld omtrent de positie van inreizigers die tot die groepen behoren?

Vraag 6b.

Deelt het kabinet de opvatting van de leden van de PvdD dat het belang van een inter-operabel systeem dat het vrije verkeer van personen dient te waarborgen mede een regeling dient te omvatten voor inreizigers die op medische of levensbeschouwelijke gronden niet gevaccineerd zijn?

Vraag 7

Uit onderzoeken blijkt dat de vaccineffectiviteit tegen infectie en transmissie sterk is teruggelopen. In hoeverre is bij de afweging of de DCC-verordening dient te worden verlengd, met dat gegeven rekening gehouden? Uit welke stukken blijkt dat?

Vraag 8

Veel burgers maken zich zorgen dat de DDC een opmaat kan vormen voor het invoeren van een Europese medische QR-code.

In de brief dd. 8 maart 2022 aan de Tweede Kamer die betrekking heeft op nadere vragen, komt vraag 5 aan de orde die op dit onderwerp ziet.

Het antwoord gaat volgens de leden van de PvdD niet op de kern van de zaak in.

Kan het kabinet verzekeren dat de DCC geen opmaat vormt voor het invoeren van een Europese medische QR-code? Zo ja, op grond van welke gegevens komt het kabinet tot zijn bevestigende beantwoording?