Bijdrage Program­ma­tische Aanpak Stikstof


8 september 2014

Voorzitter,

In 1995 verscheen het boek “Het mestmoeras” van agrarisch dagblad journalist Frits Bloemendaal over “het uit de hand lopende mestprobleem, het mislukken van voorgestelde verbeteringen en het vooruitschuiven van beslissingen”. Vandaag 19 jaar verder. Is veel van wat in Het Mestmoeras beschreven wordt nog steeds actueel.

In de veehouderij werden de problemen van schaalvergroting en intensivering vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw duidelijk. Om de interne Europese graanmarkt te beschermen tegen goedkope graanimporten had de EEG in 1962 zijn graanmarkt afgeschermd met hoge invoertarieven. Maar om dat internationaal voor elkaar te krijgen was de EEG tijdens de GATT-onderhandelingen van 1962 akkoord gegaan met de afspraak dat andere voedergewassen ongelimiteerd ingevoerd konden worden – en dat gebeurde dan ook.

Via Rotterdam kwamen enorme hoeveelheden goedkope soja en tapioca Europa binnen als krachtvoer voor een explosief groeiende veestapel.

Al in 1972 luidde de Stichting Natuur en Milieu de noodklok over de intensieve veehouderij. In het rapport 'Bio-industrie, Augiasstal in milieu en landschap' waarschuwde de Stichting op de toenemende bodem- en watervervuiling door het ongecontroleerd uitrijden van grote hoeveelheden dierlijke mest, met name op de zandgronden. Toen al reageerde de politiek verontrust op de komst van “mammoetbedrijven”, waardoor het gemengde gezinsbedrijf zou moeten plaatsmaken voor reusachtige industriële varkensfabrieken die het milieu nog meer zouden aantasten.

De sombere verwachting van toen is werkelijkheid geworden, we staan aan de vooravond van een enorme uitbreiding van het aantal megastallen, omdat de rijksoverheid haar bedenkingen volledig heeft laten varen en de verantwoordelijkheid over de schutting van provincie en gemeenten heeft gegooid. Onderzoekers van het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid en het Rijksconsulentschap voor Bodem- en Bemestingsvraagstukken van het ministerie van Landbouw en Visserij waarschuwden vanaf het einde van de jaren ’60 voor overbemesting en pleitten ze voor een veedichtheidsnorm, die de ongebreidelde groei van de veestapel moest voorkomen.

De agrarische sector beloofde dat technische vooruitgang het probleem zou oplossen, we weten inmiddels wat van die mooie voornemens geworden is. De weg naar de hel bleek geplaveid met een snel groeiend aantal koeienvlaaien en een enorme hoeveelheid kippen en varkensgier, waardoor Nederland inmiddels op het gebied van stikstofuitstoot de absolute schandvlek van Europa is geworden, nergens heeft de landbouw zo’n verstikkend effect op de natuur als in ons land het geval is.

In 1972 kwam het net opgerichte ministerie voor volkshuisvesting en milieuhygiene met de Urgentienota Milieuhygiëne die erkende dat er plaatselijk sprake was van mestoverschotten, maar via mestbanken dacht het ministerie de problemen wel in enkele jaren op te kunnen lossen. Niets bleek minder waar, voorzitter.

In 1974 kwam Landbouwminister Fons van der Stee met een eigen nota over Intensieve Veehouderij, ook met een geruststellende boodschap. Het plafond lag volgens de minister pas bij zeven miljoen varkens, en varkens zouden in hoofdzaak een neventak bij de melkveehouderij blijven – en dus grondgebonden.

De Kamer slikte die geruststelling, we weten inmiddels dat de praktijk dramatisch anders uitpakte.

Tussen 1970 en 1980 verdubbelde het aantal varkens van 5 naar zo’n 10 miljoen stuks; het aantal kippen groeide in dezelfde periode van 60 naar 80 miljoen. Veel veehouders realiseerden zich dat het zo niet lang door kon gaan en voelden de bui al hangen. Velen besloten begin jaren ‘80 nog snel een paar extra stallen te zetten en hun veestapel (verder) uit te breiden. ‘Voor de regen binnen zijn,’ noemden de boeren dat.

En exact dat is wat op dit moment dreigt met de Programmatische Aanpak Stikstof, die beter de Symptomatische Aanpak Stikstof genoemd zou kunnen worden. Al meer dan 40 jaar beloven bewindslieden dat het goed komt, schuiven ze de mest- en stikstofproblemen voor zich uit en beloven ze koeien met gouden horens en zonder mestproblemen voor de toekomst, waarmee ze voorbij gaan aan de ernst van de situatie en waarbij de agrarische sector de inertie van de politiek benut om ‘voor de regen binnen te zijn’. Uit te breiden nu het nog kan om straks, als blijkt dat het zo eigenlijk niet gekund had, de handen in onschuld te wassen en zich ofwel uit te laten kopen tegen een riante schadevergoeding, ofwel door te kunnen met een bedrijfsgrootte die in de toekomst niet snel meer vergund zal worden.

Het ministerie van LNV sprak vertrouwen uit in (autonome) technische oplossingen voor het mest- en ammoniakprobleem, ook omdat een groeistop van de veestapel niet gezien werd als een haalbare kaart. De veehouderij- en exportbelangen waren daarvoor te groot.

Met de invoering van de Europese melkquotering in 1984 was er de angst dat melkveehouders zich op varkens en kippen zouden storten. Waarna minister Braks in 1984 overstag ging en samen met minister Winsemius, de Interimwet beperking varkens- en pluimveehouderijen – onder boeren beter bekend als ‘de bouwstop’ - presenteerde. Onaangekondigd en in het diepste geheim voorbereid om te voorkomen dat veehouders nog snel een uitbreidingsvergunning aan zouden vragen. Maar toch was er nog ruimte genoeg voor uitbreiding, voorzitter. De agrarische sector was niet voor één gat te vangen en de meststoffenwet trad pas in 1987 definitief in werking, waarbij de omvang van de veestapel in 1986 als referentie gold – inclusief het aantal dieren waarvoor veehouders nog goedgekeurde uitbreidingsplannen hadden. Daardoor groeide de varkensstapel tussen 1984 en 1987 door met ruim 3 miljoen dieren naar ruim 14 miljoen stuks – de sterkste groei ooit!

Tussen 1987 en 1990 kreeg het stelsel van de kaderwetten Wet Bodembescherming en Meststoffenwet en het Besluit Gebruik Dierlijke Meststoffen vorm. Voor een mestbeleid, gericht op een schoner grond- en oppervlaktewater en een schonere lucht, was de schone belofte. Het kwam er niet van, voorzitter, schone beloften voorkomen geen vuil spel.

Vanaf 1987 werden uitrijbepalingen (technieken/perioden) en mestproductierechten van kracht. Met een Registratiebesluit, dat bepaalde dat alle dieren geregistreerd moesten worden. In de praktijk gaven veehouders meer dieren dan werkelijk aanwezig op,om daarmee ontwikkelruimte voor later te creëren. Dat kon, want er was nauwelijks controle, fraude regeerde de landbouw en die ruimte is er nog steeds.

Een LTO bestuurder schatte onlangs dat in sommige gebieden 40% van de mest frauduleus verwerkt wordt, we moeten aannemen dat die fraudeurs lachen om de wetgeving die wij vandaag bespreken. Ze kunnen inderdaad de lachende derde zijn, omdat er veel te verdienen valt met mestfraude en toezicht en handhaving ook in dit voorstel niet adequaat geregeld zijn.

Het ministerie besteedde miljoenen aan het subsidieren van de mestverwerkingsfabrieken die uit de koker van NCB, later ZLTO kwamen, alle initiatieven mislukten jammerlijk.

In de jaren ‘90 sloten overheid en bedrijfsleven een “Mestakkoord” en na 1998 bestond het beleid uit MINAS en productiebeheersing in de vorm van varkens- en pluimveerechten. Maar zoals de legendarische koning Midas alles wat hij aanraakte in goud veranderde, zo leek Minas alles waar het betrekking op had in poep te veranderen; de Nederlandse mestproductie groeide naar 70 miljard kilo per jaar, 4100 kg per Nederlander, 60x je eigen gewicht in poep. Probeert u het zich voor te stellen voorzitter, niet 1 sneeuwpop in de tuin, maar 200 poeppoppen in de tuin van elke gemiddelde Nederlandse doorzonwoning, waarbij de flatbewoners nog even iets anders moeten bedenken om de enorme lading mest weg te werken.

Elke kilo melk die een koe produceert heeft 3,5 kilo mest als bijproduct en elke kilo kaas minstens 35 kilo. Probeert u het zich voor te stellen, voor elke kilo kaas die u consumeert een hoeveelheid mest ter grootte van de brandstoftank van uw auto. Er is letterlijk stront aan de knikker, voorzitter, en de Programmatische Aanpak Stikstof gaat daar weinig tot niets aan veranderen. Opeenvolgende bewindslieden hebben de situatie decennialang gierend uit de hand laten lopen, letterlijk, in een systeem van doorschuiven en afschuiven.

Op allerlei manieren is geprobeerd het bruine gevaar een ander imago te geven, er is letterlijk gedaan aan greenwashing door stroom uit mest als groene stroom aan te prijzen, de wereld op z’n kop. De bruine stroom dreigt aan te zwellen tot een bruine tsunami, waartegen alleen zeer drastische maatregelen zouden kunnen helpen om de stroom in te dammen.

De drastische maatregelen neemt de staatssecretaris niet, voorzitter, en dat is voor mijn fractie onbegrijpelijk.

Er staat niets over in het regeerakkoord, de staatssecretaris heeft de vrije hand om eindelijk de beloften van de PvdA op het gebied van natuur- en milieuwaarden waar te maken, maar ze hecht kennelijk meer belang aan het te vriend houden van coalitiepartner VVD, dan aan het nemen van echte maatregelen die het probleem tot een oplossing kunnen brengen.

Voorzitter, onze taak is om wetgeving te toetsen op grond van rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Ik heb daar na de schriftelijke beantwoording van de staatssecretaris waarvoor dank nog wel een aantal aanvullende vragen over.

Allereerst, de stikstofemissie in Nederland wordt niet gemeten, maar berekend. Tussen berekeningen en daadwerkelijke metingen zitten grote verschillen. Op lokaal niveau tot wel 70%, gemiddeld over Nederland 30% (bron: antwoorden op kamervragen, 1 juli 2014). Zelfs bij metingen zit een foutmarge van plus en min 30% (bron: Actualisering ammoniakemissiefactoren rundvee: advies voor aanpassing in de Regeling ammoniak en veehouderij WUR, februari 2014).

Met dergelijke verschillen is het dus niet mogelijk om zelfs maar bij benadering de ontwikkelingsruimte, waar het in het PAS voor de veehouderij om draait, vast te stellen. De staatssecretarissen hebben deskundigen opdracht gegeven om te analyseren waar die verschillen vandaan komen, hoewel deze kwestie al vele jaren bekend is. Is het een onlogische gedachte , zo vraag ik de staatssecretaris via u mevrouw de voorzitter, dat de Eerste Kamer de PAS pas dan in behandeling kan nemen als deze analyse beschikbaar is. Hij had er al zullen zijn, maar ik heb ‘m nog niet gezien. Hoe denkt de staatssecretaris daarover? Moeten alle aanvragen voor vergunningen in het kader van natuurbescherming niet per direct bevroren worden? In elk geval tot er duidelijkheid is over bovengenoemde verschillen, zou ik denken, graag een reactie! Overigens adviseren agro-adviseurs hun klanten geen risico te nemen. Zij adviseren om nu snel nog even een nb-vergunning te regelen. (bron: regel het nu het nog kan).

De beste methode om de stikstofemissie uit stallen vast te stellen is natuurlijk gewoon meten. Volgens de staatssecretarissen kan dat niet omdat er dan bij iedere melk-veestal en bij ieder weiland een meter moet staan. Waarom kan dat niet? Er staat in elke stal een melkmachine met een meter, een enorme koeltank voor de melk met een meter, en de meeste stallen zijn inmiddels uitgerust met meetapparatuur om het klimaat in de stal te kunnen regelen. Bij elke stal horen minstens twee trekkers voorzien van snelheidsmeters, en vaak liggen er tientallen vierkante meters zonnepanelen op voorzien van opbrengstmeters. Daar kan best een emissiemetertje bij, zou ik denken, mevrouw de voorzitter, al helemaal wanneer we weten dat er zo grootschalig gefraudeerd wordt in deze sector. In de weilanden hoeven ze overigens niet te staan, omdat de emissie al bij de bron (in de stal) gemeten kan worden.

Volgens de staatssecretarissen zijn er ook verschillen in emissie per bedrijfsvoering, per seizoen en per jaar. Ook dat pleit er voor om te werken met metingen bij de stal. Een melkveehouder kan dan zijn productie sturen op de emissie die ter plekke gemeten wordt. Een veehouder krijgt (op basis van metingen) ontwikkelingsruimte toegewezen. Zit hij er volgens zijn metingen beneden, dan mag hij meer melk produceren, zit hij er boven dan mag hij minder melk produceren.

Een prachtig voorbeeld van maatwerk, een begrip waar de sector zo'n warm voorstander van is wanneer reguliere wet- en regelgeving creatief omzeild moet worden. Het omzeilen van regelgeving waar ambtsvoorganger Bleker zelfs expliciet toe opriep, als uitlokker van wetsovertreding. Kennelijk kan er veel op dit dossier. Waarom zou Wageningen niet een handig en betaalbaar systeem ontwikkelen dat stikstof-emissie en melkproductie koppelt?

Metingen bij de stal worden door de sector verworpen omdat het te duur zou zijn. Dat is omkering van een redenering. Bij elke bedrijfsmatige activiteit horen inkomsten en uitgaven. Wanneer de inkomsten hoger zijn dan de uitgaven heeft de activiteit economisch bestaansrecht. Wanneer de uitgaven structureel hoger moeten zijn dan de inkomsten, is dat niet het geval. Al te lang worden met name milieukosten van de veehouderij onder de tafel geveegd, of op het bordje van de belastingbetaler geschoven, om de sector in combinatie met subsidies en absurde marktbescherming rendabel te houden. Kan de staatssecretaris aangeven of zij van mening is of de veehouderij externatiliteiten zelf zou moeten opnemen in haar kostprijs en niet langer gesubsidieerd zou moeten worden voor milieuvervuilende activiteiten? Wie regeert met liberalen, zal de coalitiepartners toch gemakkelijk moeten kunnen overtuigen dat subsidies nooit de grondslag kunnen vormen voor een deugdelijke bedrijfsvoering? Graag een reactie!

Het wordt hoog tijd dat we in plaats van een discussie over op drijfzand gebaseerde ontwikkelingsruimte een serieus gesprek beginnen over de kosten en baten van de (melk-)veehouderij in dit land. En als blijkt dat deze sector geen economisch bestaansrecht heeft, dan kunnen we eens bekijken wat daar dan de consequenties van zouden moeten zijn.

De (berekende) ontwikkelingsruimte wordt als PAS in werking treedt min of meer per direct toegekend. De tegenprestatie, vermindering van de uitstoot hoeft pas in 2030 te zijn gerealiseerd. Dat is dezelde fout die al zo vaak gemaakt is op dit dossier door de ambtsvoorgangers van de staatssecretaris, fouten waar kennelijk geen lering uit getrokken wordt. De via een vergunning toegewezen ontwikkelingsruimte is, nadat de vergunning de procedure heeft doorlopen, onherroepelijk. De tegenprestatie gebeurt nadrukkelijk op vrijwillige basis. Dit betekent dat wanneer in 2030 de rekening wordt opgemaakt, en de reductie door de veehouderij niet is gerealiseerd, er voor de sector geen man overboord is. Ze kunnen volstaan met de mededeling: we hebben het geprobeerd, maar helaas, niet gelukt. Er is duidelijk geen sprake van een resultaatverbintenis, maar van een inspanningsverbintenis. Elke vorm van tussentijdse evaluatie met daar gekoppelde sturingsmogelijkheden ontbreekt. Dat is geen deugdelijke wet- en regelgeving. Uitvoerbaarheid, rechtmatigheid en handhaafbaarheid rammelen aan alle kanten in dit voorstel en om die reden moeten we zeggen dat politieke afwegingen mogelijk tot aanname van deze wet zouden kunnen leiden, maar inhoudelijke toetsing van dit voorstel op genoemde drie criteria op geen enkele wijze.

De kans dat de gestelde doelen (vermindering uitstoot met 10 mijloen kiloton in 2030) niet worden bereikt is enorm. Dit voorjaar publiceerde WUR een rapport waaruit blijkt dat de emissie uit nieuwe melkveestallen in plaats van kleiner, juist groter blijkt te zijn. (bron: Actualisering ammoniakemissiefactoren rundvee: advies voor aanpassing in de Regeling ammoniak en veehouderij WUR, februari 2014). Dit rapport bewijst maar weer eens dat er simpelweg een directe relatie is tussen hogere productie en emissie. Wie meer melk produceert, produceert ook meer emissie. Emissie-arme vloeren en andere beperkende maatregelen blijken niet te werken.

De onderzoekers wijzen ook op grote verschillen die er zijn tussen bedrijven en omstandigheden. Ook deze constatering pleit voor het toewijzen van ontwikkelingsruimte per bedrijf gebaseerd op meting bij het bedrijf, en een vergunningssysteem dat productie koppelt aan emissie.

In de toelichting wijst de staatssecretaris er op dat er maatregelen genomen zullen worden om de emissie tegen te gaan. In de stallen, maar dat betreft alleen nieuw te bouwen stallen. Voor boeren die in bestaande stallen de zijwanden er uit halen om betere ventilatie te krijgen, en in bestaande stallen hun productie verhogen, gelden deze (nog nader vorm te geven voorwaarden) niet. Merkwaardig, zij verhogen hun productie en dus ook hun emissie, maar ze zijn vrijgesteld van aanvullende voorwaarden. Overigens is al gebleken dat een belangrijke maatregel (een emissie-arme vloer) niet werkt. (Zie rapport WUR).

Een andere maatregel zoals het volledig onderwerken van mest op veen- en kleigronden geldt pas vanaf 2017. Als die beperkende maatregel pas in 2017 ingaat, kan natuurlijk PAS niet eerder dan op dat moment ingaan. Hetzelfde geldt voor de niet-werkende emissie-arme vloeren. Als nu al blijkt dat het niet werkt, kan op basis daarvan geen ontwikkelingsruimte worden toegewezen. Graag een reactie!

De controle en handhaving is in handen gegeven van de bevoegde gezagen, te weten de provincie en de gemeenten. In bijvoorbeeld de provincie Friesland vinden controles maximaal 1 keer in de 10 jaar, vooraf aangekondigd, plaats. Voor zover er al gecontroleerd wordt is handhaving niet mogelijk. Het is, zonder meting niet mogelijk aan te tonen dat een melkveehouder zijn ontwikkelingsruimte heeft overschreden. Bovendien, wat valt er zonder sancties te handhaven?

Over de motivatie van gemeenten en provincies om landelijke regelgeving op het gebied van milieu te controleren en te handhaven de volgende oberservatie.

Volgens de Noordelijke Rekenkamer hebben de noordelijke provincies de afgelopen jaren honderden natuurbeschermingswetvergunningen ten onrechte afgegeven. In Friesland gaat het om tussen de 250 en 400 bedrijven (bron: persbericht Noordelijke Rekenkamer). Verder heeft de Raad van State de afgelopen twee jaar honderden natuurbeschermingswetvergunningen vernietigd.

De provincies lijken daar niet mee te zitten, en geven gewoon een nieuwe af. Met een selectief publicatiebeleid zetten ze de aanvechters van deze vergunningen op het verkeerde been.

Kortom de bevoegde gezagen waar de staatssecretaris naar verwijst, lijken niet de meest geschikte gremia voor de controle en handhaving, ook in dat opzicht is rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid niet goed geregeld. Graag een reactie.

De Programmatische Aanpak Stikstof: in simpel Nederlands ‘het afbreken van natuurbescherming’. Natuurbescherming die tot op de dag van vandaag al niet goed wordt gehandhaafd en door de PAS tot een nieuw minimum wordt beperkt.

De natuur wordt momenteel al zodanig belast door stikstofemissies dat het binnen de huidige regels vaak niet mogelijk is om kippenboeren, varkenshouders, nertsenfokkers en melkveehouders nóg verder te laten uitbreiden; om nóg meer asfalt en bijbehorende vervuiling te realiseren.

Is de staatssecretaris bereid om toe te geven dat we in een klein land als Nederland niet alles tegelijk kunnen willen. Dat je simpelweg niet iedereen tevreden kunt stellen. Dat je, als je het echt meent dat natuurbescherming belangrijk is, keuzes zal moeten maken. Grenzen zal moeten stellen aan de vervuiling. En dat je daarin eerlijk moet zijn naar de ondernemers in ons land. Je kan boeren wel steeds blijven dwingen om te investeren in dure end-of-pipe oplossingen zoals luchtwassers, maar daarmee breng je ze alleen maar verder in de problemen. Zo’n investering moet namelijk geleend worden bij zeg, de Rabobank. En die stelt als eis tegenover zo’n lening dat de veestapel dan in ieder geval zal moeten verdubbelen, omdat hij anders de lening niet snel genoeg terug zal kunnen betalen. De berichten van deze week dat de banken geen kredieten meer verleden aan pluimveebedrijven spreken boekdelen over wat de toekomst kan brengen, evenals de prognoses over leegstand op het platteland.

De staatssecretaris stimuleert ongewild de komst van nog meer megastallen naar kwetsbare natuurgebieden als de Peel, voorzitter. Als kamerlid diende ze ze in 2011 nog moties in om paal en perk te stellen aan de bouw van megastallen en als staatssecretaris met de kans om dat ook daadwerkelijk te doen doet ze de facto het tegenovergestelde en is ze wegbereider voor nog meer megastallen. Daar is niemand mee geholpen. De natuur niet, die nog verder vermest en verzuurt. De dieren niet, die weggestopt zitten in luchtdichte megastallen. De boeren niet, die gevangen zitten in het systeem van get big or get out. Graag krijg ik van de staatssecretaris van Natuur en Landbouw een reflectie op deze beweging, die de bio-industrie, waar we eigenlijk met zijn allen van af willen, nog verder verankerd in ons land, voorzitter.

Is ze bereid dit wetsvoorstel terug te nemen tot er voldoende duidelijkheid is over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ervan en tussentijds de uitgifte van nb-vergunningen te bevriezen, om opportunistische uitbreiding om voor de bui binnen te zijn te voorkomen?

Investeren in natuurherstel in combinatie met een flinke krimp van de veestapel, dát is een oplossing. Met zo’n aanpak kunnen we de problemen die onze laatste en kwetsbare natuur bedreigen bij de bron aanpakken, en het is nog veel goedkoper ook. Kan de staatssecretaris dat bevestigen?

De ‘ontwikkelingsruimte’ die de PAS creëert bestaat slechts op papier. Ingewikkelde rekensommetjes met niet kloppende modellen moeten de schijn wekken dat de stallen nog wel wat groter kunnen, dat er nog wel wat dieren bij kunnen en dat de natuur nog wel wat meer kan worden verstikt met ammoniak en bijbehorende stikstofdepositie. En deze fictieve ‘ontwikkelingsruimte’ wordt dankzij de PAS ook nog eens helemaal opgevuld.

Voorzitter, de rekensom hoeft niet zo ingewikkeld te zijn: als je uit de hele wereld voedsel importeert voor 550 miljoen dieren om het vlees of de levende dieren te verkopen en de stront vervolgens hier te houden, dan is er maar één uitkomst: dat de natuur kapot gaat. Dat is niet alleen mijn stelling, maar dat vond ook minister Veerman bij zijn afscheid toen hij vaststelde dat het systeem om deze redenen finaal was vastgelopen.

Het wordt tijd om te erkennen dat onze natuur daadwerkelijke bescherming nodig heeft tegen overmatige ammoniakdepositie uit onze veeindustrie. Niet alleen wettelijke bescherming op papier, maar échte, daadwerkelijke bescherming.

Voorzitter. De programmatische aanpak die we vandaag bespreken, is niet alleen een schijnoplossing, de Partij voor de Dieren heeft ook zeer grote twijfels over de juridische houdbaarheid ervan.

De habitatrichtlijn is niet goed geïmplementeerd. Het verslechteringsverbod dat daarin geregeld wordt, waardoor natuurgebieden tegen achteruitgang beschermd zouden moeten worden, wordt door de PAS uitgehold. Deze discussie is in de Tweede Kamer al uitvoerig gewisseld. Ik wil de staatssecretaris vandaag vragen om in te gaan op wat zij gaat doen, vanuit haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van Europese en andere internationale afspraken, wanneer zij tot de conclusie komt dat, tegen de afspraken in, de condities van Natura2000 gebieden verslechteren. Omdat de beheerplannen niet werken, omdat passende beoordelingen niet zijn uitgevoerd, omdat de jarenlange overbelasting van stikstof voor een snelle achteruitgang van de instandhoudingsdoelen zorgt, wat dan ook. Wat gaat zij dan doen? Welke instrumenten heeft zij dan nog in handen om de Natura2000 gebieden zelf te beschermen, nu zij de bevoegdheid om echt in te grijpen uit handen geeft met de PAS? In hoeverre acht ze de wetgeving in dat opzicht uitvoerbaar en handhaafbaar?

De Partij voor de Dieren pleit ervoor om af te zien van invoering van de PAS en om natuurbescherming en het inkrimpen van de vee-industrie als prioriteiten te stellen. Alleen zo kunnen natuurbehoud- en herstel, duurzame voedselvoorziening en arbeidsplaatsen in de agrarische sector op de lange termijn worden veilig gesteld. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Dank u wel.