Bijdrage Peter Nicolaï (PvdD) over zeggen­schap Eerste Kamer Tijde­lijke Wet Covid-19 maat­re­gelen


2 maart 2021

Je moet eerst cookies accepteren voordat je deze video kunt bekijken

Voorzitter,

ik denk dat mijn interruptie van zojuist van groot belang is, omdat wij moeten beseffen dat het niet gaat om normale gedelegeerde wetgeving en een voorhangprocedure, maar om het systeem dat nu in artikel VIII van de wet zit, op basis waarvan de regering in feite iedere drie maanden gewoon die wet kan verlengen zonder dat daarbij formele betrokkenheid van het parlement aan de orde is. Dat is toch wel het wezenlijke punt.

Toen de wet tot stand kwam, zijn er allerlei commentaren geweest over de uitholling van de rechtsstaat. Als je een regering de vrijheid geeft om die wet telkens maar te verlengen, zonder formele betrokkenheid van het parlement, dan krijg je op een gegeven moment die vraag toch weer voor je. Nu kan ik mij voorstellen dat toen ook een beetje de gedachte was: ach, misschien hebben wij genoeg aan die drie maanden en dan lost de coronacrisis misschien een beetje op. Maar als wij nu kijken wat er de laatste tijd in de media aan berichten verschijnt, dan zeggen de deskundigen: we hebben nu een pandemie, maar die is eigenlijk endemisch aan het worden. Als er weer een variant komt die misschien helemaal niet bestreden wordt door de vaccins, moeten die vaccins weer worden aangepast. Dus wij zijn er nog niet klaar mee; het gaat maar door. Vanuit die gedachte zou ik aan de regering en aan de minister hier willen vragen of zij het eens zijn met de Eerste Kamer, zoals dat ook blijkt uit de motie van de heer Janssen, dat wij in een nieuwe situatie zijn komen te verkeren, waarbij er niet meer op de heel korte termijn iets geregeld moet worden voor een korte termijn, maar waarbij wij met de situatie te maken krijgen dat de tijdelijkheid van de Twm misschien veel langer is dan de tijdelijkheid zoals wij die toen voorzagen. Is de regering het niet met ons eens dat dit met zich mee behoort te brengen dat de formele betrokkenheid van de Staten-Generaal hersteld moet worden? Dat is een essentiële vraag die ik graag aan de regering voorleg.

Dan zijn er allerlei kritische vragen gesteld door de SP, GroenLinks en onze fractie over de verschillende modaliteiten. Ik moet zeggen dat de antwoorden door ons niet altijd als voldoende beoordeeld zijn en ook voor een deel onbegrijpelijk zijn, met name waar het erover gaat dat er sprake zou kunnen zijn van een conflict tussen de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Wij hebben in onze vragen naar voren gebracht of er sprake is van een conflict als de Tweede Kamer een wet aanneemt en de Eerste Kamer die wet verwerpt. Is er dan sprake van een conflict, of is er dan gewoon sprake van dat volgens het grondwettelijk model beide Kamers een eigen oordeel kunnen vellen? Daar is op gereageerd met de opmerking dat er twee gevaren zitten in het systeem zoals dat in modaliteit 1 aan de orde was in vergelijking met het normale proces. Het woord "volgtijdelijkheid" — nog nooit van gehoord — is daarbij aan de orde gekomen. Het conflict zou er dan uit bestaan dat beide Kamers tegelijkertijd een oordeel kunnen vellen en dat het dan uit elkaar kan lopen, terwijl het bij een wet zo is: eerst de Tweede Kamer en daarna de Eerste Kamer. Dat is een.

De tweede punt is de zware voorhangprocedure. Normaal kan de voorhangprocedure ertoe leiden dat iets wordt verworpen en dat de regering vervolgens weer met een nieuw voorstel kan komen. Dat zou hier niet aan de orde zijn, omdat er sprake zou zijn van de situatie dat de wet gewoon vervalt en dan ook niet meer in werking zou kunnen treden. Nu vraag ik mij af: dat fatale wijst toch een beetje op de situatie waar de heer Janssen over sprak, dat de regering heel bang is dat ze met lege handen komt te staan? Maar dan wil ik toch de vraag aan de regering voorleggen: dat is toch oplosbaar? We moeten sowieso de wet wijzigen. Als je de wet zo wijzigt dat het normale wetgevingsproces erin komt en dat die volgtijdelijkheid er weer in zit, en als je de wet zo wijzigt dat het niet gaat om een fatale situatie waarbij er iets vervalt wat nooit meer in werking kan treden, dan zijn we er toch uit? Ik heb eens zitten nadenken. Als we het gewoon in artikel VIII zo zouden oplossen dat je zegt: bepalingen of onderdelen ervan die ingevolge het eerste of tweede lid van die bepaling vervallen — dan hebben we dat fatale vervallen — kunnen opnieuw in werking treden voor een periode van ten hoogste drie maanden, indien daartoe wordt besloten bij Koninklijk Besluit. Dan heb je de gewenste situatie. Vervolgens zou je het systeem van de Brigitte Bardotwet — ik noem hem nog steeds maar zo, die wet met die moeilijke naam — kunnen volgen. Anderhalve keer Brigitte Bardot is het, minister, want er zitten drie b's in. Je zou daarna het systeem kunnen hebben, dat als besloten wordt om die vervallen bepalingen weer in werking te laten treden, er onverwijld een wetsvoorstel moet worden ingediend om de voortduring ervan te bewerkstelligen. Is dat niet de oplossing? Dan hebben we niet iets zonder precedent, want we kunnen verwijzen naar een wet waarin het al zo wordt geregeld. We hebben het fatale er uitgehaald en de volgtijdelijkheid er weer ingebracht. Graag een reactie. Ik denk dat het ongeveer aansluit bij de voorstellen die de heer Janssen al noemde, waarvan ik aanneem dat de regering er nog op zal reageren.

Het tweede punt. Dit is wel een vraag die verband houdt met de evaluatie van de tijdelijke wet. De tijdelijke wet is eigenlijk een wet die een hoofdstuk in de Wet publieke gezondheid geschoven heeft, met het oog op covid. In de Wet publieke gezondheid staan echter ook nog steeds bevoegdheden. Die wet geeft bevoegdheden met betrekking tot het aanwijzen van infectieziekten: is het een infectieziekte die als a wordt aangewezen, ja of nee? Als dat het geval is, dan staan er allerlei bepalingen in die wet die bevoegdheden geven. Daar hebben we die Twm op zich niet voor nodig.

Vrijdag hebben we een discussie gehad over de avondklok. Ik vroeg toen hoe het nu eigenlijk zit. Ik hoorde namelijk van de minister dat er mensen zijn die positief getest zijn — die zijn dus eigenlijk gevaarlijk — maar die zich niet houden aan de quarantaineverplichting. Dat is best een hoog percentage. Als we daar eens iets aan zouden doen, zouden we dan niet een hele grote winst binnenhalen, die misschien zo groot is dat die avondklok niet meer nodig is? Ik heb hierover een vraag aan minister De Jonge. In artikel 35 van de bestaande Wet publieke gezondheid, staat de volgende bevoegdheid: "de voorzitter van de Veiligheidsregio kan een persoon onverwijld doen onderwerpen aan de maatregel van quarantaine om de verspreiding van infectieziekten, behorend tot groep a, tegen te gaan ...". Het is groep a, daar zijn we het over eens. Het gaat verder: "indien er redenen zijn om aan te nemen dat die persoon recentelijk een dusdanig contact met een lijder of vermoedelijke lijder aan infectieziekte, behorend tot groep a, heeft gehad, dat deze persoon mogelijk met dezelfde ziekte is geïnfecteerd, ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat voor verspreiding van de infectieziekte en die persoon niet tot vrijwillige onderwerping aan die maatregel bereid is." Dat iemand mogelijk is geïnfecteerd, blijkt uit de positieve test en dat er een ernstig gevaar voor verspreiding bestaat, daar zijn we het over eens. Het is een heel vergaande bevoegdheid die op dit moment al in die wet zit.

Als de minister daarop wijst, kan ik me voorstellen dat mensen weer gaan zeggen dat de dictatuur toeslaat, maar het is niet de dictatuur die toeslaat, maar een bepaling en een bevoegdheid die in de wet is opgenomen om juist het algemeen belang te beschermen, als zich heel gevaarlijke infectieziekten voordoen. Waarom wordt niet meer op die bepaling gewezen? Waarom wordt er niet meer op gewezen dat er voor mensen die zich niet houden aan de quarantaineverplichting, wat nu nog een advies is, in de wet bevoegdheden zitten die vergaand zijn en waar wij nooit enige twijfel over hebben uitgesproken.