Eerste Kamer op zoek naar zichzelf - Instellen staatscommissie tijdsverspilling

'Het instellen van een staatscommissie is tijdverspilling in een parlementaire democratie in blessuretijd'

De Eerste Kamer heeft in de afgelopen 200 jaar niet alleen lof en waardering geoogst. Groen van Prinsterer noemde onze senaat “een mislukte copie naar Engelsch model” en Thorbecke noemde de Eerste Kamer in 1840 “zonder grond en zonder doel”. Anderen waren positiever. Donker Curtius, lid van dezelfde Staatscommissie tot herziening van de Grondwet als Thorbecke, motiveerde de legitimiteit met de stelling dat de taak van de Eerste Kamer lag “niet in het stichten van het goede, maar in het voorkomen van het kwade”. De Eerste Kamer moest volgens hem waken tegen de “waan van de dag”.

De Eerste Kamer stond vaker ter discussie. Het kabinet-De Jong stelde in 1967 de Staatscommissie-Cals/Donner in. Het kabinet-Den Uyl kwam in 1974 met een nota over de Grondwetsherziening. Maar het kabinet voelde niets voor aanpassing van de Eerste Kamer. De Grondwetsherziening van 1983 zorgde er uiteindelijk voor dat de zittingsduur en de wijze van verkiezing van de Eerste Kamer werden gewijzigd. De zittingsduur van zes jaar werd verkort naar vier en alle provincies zouden voortaan tegelijkertijd de Eerste Kamerleden kiezen.

Met de nu opgelaaide discussie is de vraag of er naast twijfels over de bouwkundige staat van de gebouwen van de Staten Generaal, behoefte is aan een discussie over de staatkundige bouw van ons parlementair stelsel. Belangrijker is de vertrouwenskloof tussen publiek en politiek en het gebrek aan draagvlak in de samenleving voor politieke partijen, waar niet meer dan 2,5% van de bevolking lid van is.

De VVD wil spreken over een brede stelselherziening en niet alleen over de rol van de Eerste Kamer. Maar elke insider rond het Binnenhof weet dat er vraagtekens geplaatst worden bij de motieven van de initiatiefnemers. De discussie over een staatscommissie is een direct uitvloeisel van de kabinetsformatie van 2012. Toen dachten VVD en PvdA nogal luchtig over het ontbreken van een meerderheid in de Eerste Kamer.

Een staatscommissie verandert daar niets aan. Het kan een hele tijd duren voor een eventuele commissie geformeerd is en met conclusies komt. Vervolgens is het ook nog maar zeer de vraag of die conclusies worden overgenomen. De resultaten van eerdere staatscommissies zijn wat dat betreft veelzeggend: de commissie Cals/Donner pleitte in 1971 voor een gekozen minister-president, de commissie Biesheuvel in 1985 voor een gekozen burgemeester. Beide vernieuwingsvoorstellen hebben het niet gehaald. De meest recente adviezen over het parlementaire stelsel, van de Nationale Conventie uit 2006, bleken kansloos. De aanbevelingen zijn integraal niet overgenomen.

De huidige problemen, de vertrouwenskloof tussen publiek en politiek en het gebrek aan draagvlak in de samenleving voor politieke partijen, behoeven eerder zelfreflectie dan een stelselherziening. Daar zou in de Chambre de reflexion meer tijd voor genomen moeten worden. Daar ligt de kern van de problemen voor onze parlementaire democratie.

Er is winst te boeken uit een verklaring voor het feit dat burgers zich niet meer verwant voelen met de politiek,maar zo’n verklaring zal niet van een staatscommissie komen. Er was een periode dat partijen zeker konden zijn van steun; het confessionele blok, het sociaaldemocratische blok en liberale blok. Burgers zoeken momenteel op de flanken naar alternatieven, omdat ze zich niet meer vertegenwoordigd voelen door de partijen waar hun ouders en grootouders zich traditioneel wel door vertegenwoordigd voelden.

Met een staatscommissie die gaat nadenken over stelselhervorming gaan we hooguit tijd verliezen. Tijd die we niet hebben! Het is een oplossing van het niveau: het is nu vijf voor twaalf, laten we de klok een uur terugzetten, dan kunnen we een uurtje langer slapen. Het instellen van een staatscommissie is tijdverspilling in een parlementaire democratie in blessuretijd. Wat er moet gebeuren is aan het parlement zelf, niet aan een staatscommissie.

Het is als een familie die elkaar de tent uit vecht, en een architect en een aannemer verzoekt de problemen op te lossen via een verbouwing van het huis, in plaats van in de onderlinge verhoudingen tussen de familieleden naar een oplossing te zoeken. Als een huis in zichzelf verdeeld is, helpt geen verbouwing, hooguit gedragstherapie voor de bewoners.

55% van de Nederlandse bevolking vindt dat burgers meer invloed op het beleid moeten hebben, bijvoorbeeld via referenda. Die roep om meer inspraak komt voort uit onvrede. Veel Nederlanders vinden dat politici onvoldoende luisteren en te veel gericht zijn op hun eigen belang,vragen zich af of politici wel weten wat er in de samenleving leeft.

De burgerbetrokkenheid zou niet beperkt moeten blijven tot de noodrem van een raadgevend referendum, maar in het wetgevings- en besluitvormingsproces een plek krijgen, zoals het Rathenau-instituut adviseert.

Daarnaast is er weinig te kiezen voor de burger. Volgens socioloog Willem Schinkel onderscheiden bestaande partijen zich veel te weinig van elkaar en doen ze hooguit aan probleemmanagement, misschien is de enige uitzondering de Partij voor de Dieren, zegt hij. Om deze gelijkvormigheid te doorbreken en de kiezer weer wat te kiezen te geven, is ruimte nodig voor vernieuwing. Een kiesdrempel zou niets anders zijn dan een zandzak waarmee de gevestigde orde nieuwkomers probeert te belemmeren toe te treden tot een vermolmd partijenstelsel dat een gapende kloof ziet tussen de kiezer en beide kamers van het parlement.

Overdracht van bevoegdheden aan een ondemocratisch bestuur in Brussel, zorgt ervoor dat de Staten generaal zichzelf degradeert tot de provinciale staten van Europa, ook daar kunnen staatscommissies geen oplossingen voor bieden. Europese wetsvoorstellen zijn door deeltijdpolitici in de senaat nauwelijks te controleren, terwijl ze diep ingrijpen in onze samenleving. In de woorden van Marc Chavannes, columnist van de Correspondent: in tijd van crisis moet je niet aan de instituties gaan morrelen, maar zorgen dat zij overleven en het broodnodige beetje eenheid belichamen.